Er zitten drie kinderen in mijn hart. Minstens drie. Het kind in mijzelf mag natuurlijk niet vergeten worden, en sommige vrienden zullen voor mij altijd jong blijven, maar ik heb het nu niet over hen, of over mij. Ik heb het over twee Somalische zusjes, Suama en Siran, die ik in 2010 tijdens de vakantiedagen van Vluchtelingenwerk een paar dagen onder mijn hoede moest nemen, omdat hun moeder er niet bij kon zijn. Ik heb ze daarna nooit meer gezien, maar ik zal ze nooit vergeten. En ik heb het over Wiktor, die deze week bij hen is aangeschoven.

Deze zomervakantie ga ik minstens één keer per week naar een taalschool slash kinderopvang. Het schooltje ziet er fantastisch uit, en we krijgen er een lekkere lunch, maar onder de oppervlakte… Teveel kinderen, die slecht Engels spreken, en een eigenaresse die stiekem meer begaan is met de kas dan met de kids. Ook deze week had ik er niet veel zin in, al mocht ik mij eindelijk een keer als piraat uitdossen en had ik een legitieme reden om onder kantoortijd naar piratenverhalen te zoeken – dinsdag is ‘piratendag’!

In het begin viel hij me nauwelijks op. Ja, hij ging een paar keer flink tekeer en werd dan door één van de leidsters terechtgewezen, maar ik had geen zin en geen tijd om op hem te letten. Aan mijn ene arm hing een allerschattigst bengeltje van vier, onder mijn andere arm hield ik een haaienknuffel geklemd, en zo probeerde ik – als hekkensluiter – de groep van veertien kinderen enigzins bij te houden én bij elkaar te houden. (“Please follow the group! Walk in a line! In pairs, remember?”) Eigenlijk kwam het oponthoud dat Wiktor af en toe veroorzaakte mij wel goed uit, al zie ik dat nu pas.

Pas tegen het eind van de ochtend lukte het hem om mijn aandacht te trekken. We hadden toen al op de Oder gevaren in een rondvaartboot, een spel gespeeld op Wyspa Słodowa (Mouteiland), en de kinderen hadden net een boel Hollands getinte piratenverhalen aangehoord. Blijkbaar kon Wiktor het verhaal over de Vliegende Hollander wel waarderen, want ik kreeg na afloop een bloemetje van hem. Even later gaven de leidsters aan dat het tijd werd om te vertrekken – maar toen de groep eindelijk in het gareel stond, ontplofte Wiktor, voor de vijfde keer die dag.

Nu mag een kind van mij best ontploffen, maar niet als de groep – en ik – daardoor langer op ons eten moeten wachten. En dan dat bloemetje… Naar de leidsters wilde hij niet meer luisteren, dus besloot ik het erop te wagen. “Wil je misschien naast mij lopen?” Ik liep naar hem toe, sloeg een arm om hem heen, en samen liepen we terug naar de groep. Hij hield zijn armen nog steeds stijf over elkaar geslagen, en er rolden dikke tranen over zijn wangen, maar hij liep.

Ergens tussen Wyspa en Vega heeft Wiktor mijn hart gestolen. Vega is een vegetarisch restaurant in hartje centrum, waar de groep meestal luncht. (Het moge duidelijk zijn dat de papa’s en mama’s van deze kindjes het financieel dik voor mekaar hebben.) Onderweg naar Vega leerde ik Wiktor een beetje kennen. Voor zover dat gaat, als je elkaars taal nauwelijks spreekt… Hoewel… Ik had geen Pools nodig om te merken dat er, onder dat stoere uiterlijk, een leuk kind schuilging. Met twee eerlijke ogen die, zo mogelijk, nog mooier blauw zijn dan die van Alessandro.

Een moeilijk kind? Ongetwijfeld. Maar ook een vrolijke jongen, een grapjas, en een lieverd. Als de groep één rondje rent, rent hij er anderhalf. En als je zegt dat hij naar links moet, wil hij weten wat er rechts te zien is. Dat idee. Knap lastig voor groepsleiders en leraren, lijkt me, en bij andere kinderen maakt hij zich zo ook niet altijd populair, maar op zich… Niks mis mee, toch?

Tijdens het eten, en later die dag, kwamen er allerlei vragen in me op. Wat zouden zijn ouders van hem vinden? En de rest van zijn familie? Hoe doet hij het op school? Waar komen die uitbarstingen vandaan? En waarom krijgt hij steeds op zijn kop? Het zijn immers steeds dezelfde jochies die in de buurt zijn als Wiktor ontploft… Zou hij eigenlijk vriendjes hebben? Enzovoorts. Maar ook vragen als: zie ik iets over het hoofd, spant hij mij voor zijn karretje? Aan hem kon ik het niet vragen, en de leidsters hadden het al druk genoeg met de andere dertien kinderen. Ik kon alleen maar afgaan op mijn gevoel, en dat zei me dat Wiktor het niet slecht bedoelt.

Dus toen ik, tegen een uur of drie, de deur van de taalschool achter mij in het slot liet vallen, voelde dat niet als een intense opluchting, zoals gewoonlijk. In plaats daarvan voelde ik me verdrietig, bezorgd, en dankbaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *