“Hallo” in tien talen die ik (een beetje) spreek

Ik ben best wel een nerd.

Een computernerd. (Ik heb vandaag het design van deze site een beetje aangepast. Tips & schouderklopjes zijn welkom!)

Een geitenwollensokkennerd. (Gisteren die plantjes. Vandaag een retourtje Rotterdam, voor duurzame panty’s van Swedish Stockings – gekocht bij de Bijenkorf.)

En een taalnerd.

Toen ik onderstaande RAK zag, kreeg ik spontaan zin in een tour door mijn geheugen (en een klein taallesje voor jullie?).

Random Act of Kindness: Leer hoe je “hallo” zegt in tien verschillende talen.

1 – heuj

‘Hallo’ klinkt in Brabant meestal als ‘heuj’. Of iets wat daarop lijkt.

“Eh, sorry, maar het Brabants is geen taal!” Ja, dat klopt. Maar aangezien een taal niet meer is dan een officieel erkend dialect, “met een leger en een vloot“, mag ‘heuj’ er van mij bij.

2 – hello

En toen ging ik naar school, en bleken er nog meer talen te zijn! :O

Anno 2019 heeft mijn Nederlands te lijden onder mijn Engels. Ik heb daar geen problemen mee, al vind ik het soms wel wat gênant. (Vooral als ik niet op een Nederlandse vertaling kan komen.)

3 t/m 5 – salut, hallo, ave

Ook redelijk gênant: dat ik op de middelbare school jarenlang les gehad heb in Frans, Duits en Latijn – naast Engels en Oud-Grieks – en dat ik er nu nog maar een tiental woordjes en zinnetjes van ken.

(Mocht het Oud-Grieks een woord hebben voor ‘hallo’: dat ben ik vergeten.)

6 t/m 8 – ciao, hola, merhaba

Een paar hallootjes die ik op vakantie opgepikt heb. In het Italiaans, Spaans en Turks.

Op de universiteit leerde ik ondertussen NGT (Nederlandse Gebarentaal), en dus ook het gebaar voor ‘hallo’. Maar omdat er geen geschreven versie van NGT is, heb ik dat weggelaten uit het overzicht. Bekijk onderstaand filmpje als je een paar begroetingen in NGT wilt zien.

Wordt het al wat moeilijker?

9 – cześć

Alles wat ik dacht te weten over het leren van een taal, kwam in Polen onder hoogspanning te staan.

“Bo język jest bardzo, bardzo trudny.” Want de taal is vreselijk moeilijk.

De eerste maand dat ik in Polen woonde, ging mijn taalniveau desondanks wel met sprongen vooruit. (Men neme een hospita die geen woord Engels spreekt, en een goede docent.)

10 – здраво (“zdravo”)

Na die maand verhuisde ik naar een appartement vol jonge mensen en had ‘Pools leren’ ineens geen prioriteit meer.

Wel leerde ik – dankzij die internationale bende thuis – een paar andere landen (en talen) wat beter kennen. Mijn kamergenootje uit Macedonië werd mijn BFF uit Macedonië, en inmiddels ben ik twee keer bij haar en haar familie langs geweest.

En, trouwens, ook in Slovenië, Kroatië en Servië betekent ‘zdravo’ ‘hallo’.

Daar heb je dus meer aan dan het Oud-Grieks. 😉

In hoeveel talen ken jij het woord voor ‘hallo’?

Assepoester verliest haar muiltje

Glazen muiltje

Ik heb mijn ideale vakgebied gevonden. Een half jaar geleden wist ik nog niet eens van het bestaan af, maar gemeenten (en andere overheidslagen) verdiepen zich sinds kort in een onderwerp dat mij werkelijk op het lijf geschreven is: het VN-verdrag inzake de Rechten van Mensen met een Beperking.

En hoewel ik het een goed, uitdagend, interessant en belangrijk onderwerp vind, dat ook best te rijmen valt met mijn missie enzo… Toch wringt er iets. Of eigenlijk wringt er helemaal niets, en juist daarom word ik er een beetje kriegelig van. Het VN-verdrag en ik passen zó goed bij elkaar, dat anderen het op zijn minst een beetje raar zouden vinden als ik er na mijn traineeprogramma niet mee verder zou gaan. (“Wat meer inbreng van ervaringsdeskundigen zou heel goed zijn”, klinkt het dan.)

Het doet mij echter vooral denken aan die keer dat iemand tegen me zei hoe bijzonder ze het wel niet vond dat ik, als slechthorende, taalwetenschap gestudeerd had. Alsof het hebben van een (fysieke) beperking samenhangt met het hebben van bepaalde interesses. Alsof, vanwege mijn gehoor, mijn liefde voor taal volautomatisch óók beperkt zou moeten zijn.

Dat bepaal ik zelf wel.

En natuurlijk zijn dat soort opmerkingen (bijna?) nooit slecht bedoeld, en het zou inderdaad goed zijn als het VN-verdrag minder vóór en meer dóór mensen met een beperking verwezenlijkt wordt. “Niets over ons, zonder ons!”

Alleen, dan moeten zij daar wel zélf voor gekozen hebben. In een inclusieve samenleving – een samenleving waarin het VN-verdrag overbodig zou zijn – kunnen gehandicapte mensen namelijk niet alleen meedoen, ze hebben ook keuzevrijheid. De vrijheid om bijvoorbeeld, net als mensen die (zogezegd) niets mankeren, te kiezen wat voor werk ze willen doen – en dus ook wat voor werk ze niet willen doen.

Heb ik voor deze opdracht gekozen? …In alle eerlijkheid: mwoah. Ik mocht een top drie invullen, en deze opdracht heb ik op twee gezet, maar alleen omdat ik het niet aandurfde om mijn persoonlijke topfavoriet – een opdracht rondom statushouders(!) in Breda(!) – op zowel de eerste, tweede als derde plaats in te vullen. (Met 46 andere trainees in de poule kun je maar beter een beetje realistisch zijn.) Dus ja, die opdracht rondom het VN-verdrag is niet zomaar op mijn bordje geschoven, maar als het aan mij had gelegen…

Misschien voelt het daarom ietwat ongemakkelijk. Een opdracht die mij als gegoten zit, terwijl ik liever iets anders zou doen.

Toen Assepoester haar glazen muiltje opnieuw mocht aantrekken, aarzelde ze geen moment, omdat ze wist dat zij daardoor haar prins weer zou zien. Maar stel nou dat prins Charming haar hart niet veroverd had. Wat als Assepoester, een paar dagen eerder, iemand had gezien die zij nog nét iets leuker vond? Dan had ze dat perfect passende schoentje vast een stuk minder enthousiast aangetrokken… Of zelfs aan haar voorbij laten gaan. (Want zeg nou zelf: een muiltje van glas?!)

Afijn. Over een half jaar mag ik weer iets anders gaan doen – als ik dat tegen die tijd nog wil. En tot die tijd maak ik hier gewoon zeg maar echt mijn ding van.

Wiktor

Er zitten drie kinderen in mijn hart. Minstens drie. Het kind in mijzelf mag natuurlijk niet vergeten worden, en sommige vrienden zullen voor mij altijd jong blijven, maar ik heb het nu niet over hen, of over mij. Ik heb het over twee Somalische zusjes, Suama en Siran, die ik in 2010 tijdens de vakantiedagen van Vluchtelingenwerk een paar dagen onder mijn hoede moest nemen, omdat hun moeder er niet bij kon zijn. Ik heb ze daarna nooit meer gezien, maar ik zal ze nooit vergeten. En ik heb het over Wiktor, die deze week bij hen is aangeschoven.

Deze zomervakantie ga ik minstens één keer per week naar een taalschool slash kinderopvang. Het schooltje ziet er fantastisch uit, en we krijgen er een lekkere lunch, maar onder de oppervlakte… Teveel kinderen, die slecht Engels spreken, en een eigenaresse die stiekem meer begaan is met de kas dan met de kids. Ook deze week had ik er niet veel zin in, al mocht ik mij eindelijk een keer als piraat uitdossen en had ik een legitieme reden om onder kantoortijd naar piratenverhalen te zoeken – dinsdag is ‘piratendag’!

In het begin viel hij me nauwelijks op. Ja, hij ging een paar keer flink tekeer en werd dan door één van de leidsters terechtgewezen, maar ik had geen zin en geen tijd om op hem te letten. Aan mijn ene arm hing een allerschattigst bengeltje van vier, onder mijn andere arm hield ik een haaienknuffel geklemd, en zo probeerde ik – als hekkensluiter – de groep van veertien kinderen enigzins bij te houden én bij elkaar te houden. (“Please follow the group! Walk in a line! In pairs, remember?”) Eigenlijk kwam het oponthoud dat Wiktor af en toe veroorzaakte mij wel goed uit, al zie ik dat nu pas.

Pas tegen het eind van de ochtend lukte het hem om mijn aandacht te trekken. We hadden toen al op de Oder gevaren in een rondvaartboot, een spel gespeeld op Wyspa Słodowa (Mouteiland), en de kinderen hadden net een boel Hollands getinte piratenverhalen aangehoord. Blijkbaar kon Wiktor het verhaal over de Vliegende Hollander wel waarderen, want ik kreeg na afloop een bloemetje van hem. Even later gaven de leidsters aan dat het tijd werd om te vertrekken – maar toen de groep eindelijk in het gareel stond, ontplofte Wiktor, voor de vijfde keer die dag.

Nu mag een kind van mij best ontploffen, maar niet als de groep – en ik – daardoor langer op ons eten moeten wachten. En dan dat bloemetje… Naar de leidsters wilde hij niet meer luisteren, dus besloot ik het erop te wagen. “Wil je misschien naast mij lopen?” Ik liep naar hem toe, sloeg een arm om hem heen, en samen liepen we terug naar de groep. Hij hield zijn armen nog steeds stijf over elkaar geslagen, en er rolden dikke tranen over zijn wangen, maar hij liep.

Ergens tussen Wyspa en Vega heeft Wiktor mijn hart gestolen. Vega is een vegetarisch restaurant in hartje centrum, waar de groep meestal luncht. (Het moge duidelijk zijn dat de papa’s en mama’s van deze kindjes het financieel dik voor mekaar hebben.) Onderweg naar Vega leerde ik Wiktor een beetje kennen. Voor zover dat gaat, als je elkaars taal nauwelijks spreekt… Hoewel… Ik had geen Pools nodig om te merken dat er, onder dat stoere uiterlijk, een leuk kind schuilging. Met twee eerlijke ogen die, zo mogelijk, nog mooier blauw zijn dan die van Alessandro.

Een moeilijk kind? Ongetwijfeld. Maar ook een vrolijke jongen, een grapjas, en een lieverd. Als de groep één rondje rent, rent hij er anderhalf. En als je zegt dat hij naar links moet, wil hij weten wat er rechts te zien is. Dat idee. Knap lastig voor groepsleiders en leraren, lijkt me, en bij andere kinderen maakt hij zich zo ook niet altijd populair, maar op zich… Niks mis mee, toch?

Tijdens het eten, en later die dag, kwamen er allerlei vragen in me op. Wat zouden zijn ouders van hem vinden? En de rest van zijn familie? Hoe doet hij het op school? Waar komen die uitbarstingen vandaan? En waarom krijgt hij steeds op zijn kop? Het zijn immers steeds dezelfde jochies die in de buurt zijn als Wiktor ontploft… Zou hij eigenlijk vriendjes hebben? Enzovoorts. Maar ook vragen als: zie ik iets over het hoofd, spant hij mij voor zijn karretje? Aan hem kon ik het niet vragen, en de leidsters hadden het al druk genoeg met de andere dertien kinderen. Ik kon alleen maar afgaan op mijn gevoel, en dat zei me dat Wiktor het niet slecht bedoelt.

Dus toen ik, tegen een uur of drie, de deur van de taalschool achter mij in het slot liet vallen, voelde dat niet als een intense opluchting, zoals gewoonlijk. In plaats daarvan voelde ik me verdrietig, bezorgd, en dankbaar.

Pools

Poolse perikelen

Morgen vindt de eindtest van mijn taalcursus plaats, en dat is jammer om twee totaal verschillende redenen:

  1. Ik vind één van de docenten echt onwijs goed. Een levend en lichtend voorbeeld van de ‘ideale docent’ uit mijn theorieboeken. (Alleluja, hij bestaat!) …Al moet ik eerlijk bekennen dat mijn wetenschappelijke kennis over taalonderwijs niet de enige reden is dat ik de cursus zal missen… Hij heeft ook een leuke lach.
  2. Hoewel ik in de afgelopen weken een heleboel geleerd heb, kom ik in de praktijk nog niet veel verder dan “Ik kom uit Nederland.”, “Thee, alstublieft.” en “Sorry, waar is het toilet?”. Het Pools is een verdomd lastige taal, en omdat ik als beginner gelukkig nog maar weinig grammaticale regels voor mijn kiezen heb gehad, volgt hier een korte uiteenzetting van het Poolse schrift en de uitspraak. Gedeelde smart is halve smart.

Lees verder

Sprakeloos

Stel, je gaat naar het buitenland. Niet voor een vakantie, nee, je gaat er een tijdje wonen. Je kent de stad waar je gaat wonen een beetje, want je bent er twee jaar geleden al eens geweest. Drie nachtjes, om precies te zijn, dus je kent 99% van de stad nog niet. Hetzelfde geldt, in nog sterkere mate, voor de rest van het land, voor zijn inwoners, voor de cultuur en voor de taal. Kortom: je bent eigenlijk een absolute beginner. Na aankomst blijkt dat de stad nog net zo mooi is als de vorige keer, maar dat je niet kunt praten met je hospita, omdat jullie geen gemeenschappelijke taal hebben. Hoe lastig is dat?

Knap lastig, kan ik jullie vertellen. Nu hebben mijn hospita en ik allebei redelijk veel geduld en de beste bedoelingen, dus met handen en voeten en een woordenboekje komen we er meestal wel uit, maar dan nog… Vooralsnog ken ik niemand anders in deze stad, en in verband met Pasen zijn de gemeentelijke informatiebalies gesloten. Natuurlijk kun je op internet ook veel vinden, maar ik kan echt niet wachten om iemand hier te bestoken met vragen.

Al moet ik wel zeggen dat mijn Poolse woordenschat de afgelopen dagen gigantisch gegroeid is: van een paar woordjes naar een stuk of twintig. De basiscommunicatie – ‘goedemorgen’, ‘dankuwel’, ‘tot ziens’ enzovoorts – leer ik nu vooral via mijn hospita en via een online cursus Pools op Memrise. Dankzij het herhalingssysteem van die website onthoud ik de woorden beter dan wanneer ik ze uit mijn woordenboekje zou halen. Dat boekje helpt me vooralsnog alleen als ik bijvoorbeeld te weten wil komen waar de dichtstbijzijnde pinautomaat te vinden is.

Gelukkig draait Krakau vanaf morgen weer ‘normaal’ en leer ik uiterlijk donderdag meer mensen kennen, als de taalcursus begint. Pasen in Polen smaakt goed – mijn hospita schotelt me al drie dagen minstens twee gebakjes per dag voor – maar ik krijg steeds meer zin in een onderhoudend gesprek. Of een potje slap ouwehoeren. Over domme mensen die ergens gaan wonen zonder de taal te spreken, ofzo…