Ceci n’est pas ma vie

Ik heb logische wensen, en onlogische wensen.

Logische wens: een leuke baan vinden. Een wereldreis maken. Eindelijk het volgende seizoen van Peaky Blinders kunnen bekijken. Dat soort zaken.

Onlogische wens: een paar Louboutins hebben.

Waarom is dat onlogisch? Omdat ik helemaal niet kan lopen op naaldhakken. Of graag tien centimeter bij mijn huidige lengte op zou willen tellen. (Op hakken van zeven centimeter voel ik me al reusachtig groot.)

Een tekening van een pump, de Pigalle Follies Patent van Louboutin. Daaronder de woorden "ceci n'est pas un escarpin".
“Ceci n’est pas un escarpin”: dit is geen pump. Het is een tekening van een pump, die te duur is om in mijn kast te hebben staan. Alle rechten voorbehouden.

Daarbij draag ik überhaupt geen dure merken, tenzij het tweedehands is, of een duurzaam / fairtrade merk. En zelfs dan zit er een bovengrens aan wat het mag kosten. (De tassen van Matt & Nat vind ik bijvoorbeeld nog best oké geprijsd, maar ik kan me niet voorstellen dat ik ooit het dubbele zou neertellen. Voor een tas.)

Dus is het op z’n zachtst gezegd onlogisch dat ik al jarenlang een paar véél te hoge, véél te dure, véél te wiebelige naaldhakken wil hebben.

…Misschien doet die vuurrode zool een beroep op mijn oerbrein?

Hoe dan ook, ik fantaseer graag over het leven dat ik zou leiden met Louboutins in m’n kast. Of beter gezegd: in mijn inloopkast. In mijn superdeluxe penthouse. In het centrum van Parijs.

Natuurlijk zou ik ze dan ook af en toe dragen. Want de taxi stopt toch voor mijn deur. En zowel mijn man als mijn minnaar zijn er dol op. 😉

Ach ja. “Ceci n’est pas ma vie.” Dit is mijn leven niet.

Mijn laatste week als twintiger (met 20 vragen waarop ik het antwoord al had willen weten)

Gisteren is mijn laatste week als twintiger officieel van start gegaan! En dat voelt, eh, een tikje verwarrend…



via GIPHY

Tja. Dat dus allemaal, tegelijkertijd.

En waarom eigenlijk? Volgende week zondag ben ik gewoon een weekje ouder dan vandaag. Want in tegenstelling tot wat sommige mensen lijken te denken: het leven houdt niet op zodra je 30 wordt. Daarbij: “30” is (a) ook maar een getal en (b) een leeftijd die gevierd mag worden, nee, gevierd moet worden. Want vroeg of laat kunnen we onze verjaardagen niet meer vieren, en dat is pas écht een drama…

Tegelijkertijd: als ik mij inbeeld wat “de maatschappij” zo’n beetje verwacht van 30-jarigen… Of als je mij vroeger had gevraagd hoe mijn leven eruit zou zien op mijn 30e… En als we dat beeld eventjes vergelijken met mijn leven nu… Dat is óók een drama. Een kleiner drama, misschien, maar toch.

Daarom, in het kader van “gedeelde smart is halve smart”, hieronder 20 vragen waarop ik het antwoord verwacht had te hebben, of gewoon graag had willen hebben, vóór mijn laatste week als twintiger.

  1. Wat is mijn signature dish? (Oftewel: welk gerecht is “typisch Wendy”?)
  2. Hoe ziet mijn eerste eigen oven eruit?
  3. Op welk adres ga ik (voor het eerst) samenwonen?
  4. Hoe voelt het om langer dan drie maanden een relatie te hebben?
  5. Is op vakantie gaan met je partner anders dan met vrienden of familie?
  6. Hoe is het om een geheel eigen appartement te hebben (zonder woonruimtes te moeten delen met huisgenoten)?
  7. Hoe heet mijn eerste kat?
  8. Welke kleur heeft mijn eerste auto?
  9. Hoe ziet mijn droombaan eruit?
  10. Wat is de titel van mijn eerste boek?
  11. Is een reis met de Transsiberië (of Transmongolië) Express echt zo tof als het klinkt?
  12. Wil ik kinderen?
  13. Waar staat mijn eerste koopwoning?
  14. Wil ik eigenlijk wel een (koop)woning? Of toch liever een vrijer bestaan?
  15. Zou ik een dakterras / balkon / tuintje goed onderhouden?
  16. Hoe speel je hét nummer van Pirates of the Caribbean op piano?
  17. Wanneer ben ik voor het eerst officieel getuige bij een huwelijk?
  18. Hoe ziet mijn (eerste) trouwjurk eruit?
  19. Wie is mijn (eerste) Grote Liefde?
  20. Hoe is het om niet te twijfelen aan mijn eigenwaarde en het gevoel dat ik erbij hoor?

…Zo, dat is een flinke lijst. Maar ik ben vast niet de enige bijna-dertiger die af en toe het idee heeft dat ze hopeloos achterloopt op “de rest”. Wie “de rest” dan ook moge zijn, want werkelijk niemand van de (bijna-)dertigers die ik ken heeft het antwoord op alle bovenstaande vragen.

Herkenbaar?

een geel doosje met vraagtekens erop

Funemployment?

Nog maar anderhalve week tot het einde van mijn huidige baan en het begin van mijn vakantie / funemployment (een samentrekking van “fun” – plezier – en “unemployment” – werkeloosheid).

Heb ik er zin in? Ja, verschrikkelijk! 😀

Vind ik het eng? Ja, verschrikkelijk….

Met dat laatste doel ik niet zozeer op de reis, want die wordt vast onwijs gaaf. Nee, waar ik tegenop zie is die volstrekt onduidelijke periode daarna… Omdat ik werkelijk geen idee heb hoe die tijd eruit gaat zien, en hoe lang unemployment funemployment kan blijven.

Die stress leidt tot bijzondere, ehm, uitwassen. Zo kan ik ineens geen “normale” prioriteiten meer stellen. Echt waar. Zaken die in feite volstrekt onbelangrijk zijn, krijgen nu om de haverklap voorrang. Een blogpost schrijven over de kleren die meegaan in mijn koffer? Doe ik! Het slaapgedeelte van mijn zolder voorzien van een geverfde lambrisering? Check! Alle reisinformatie op een rijtje zetten?  Me verdiepen in de plaatsen waar ik heenga? De tickets uitprinten? Moet nog gebeuren. En een keer goed poetsen? Al weken niet gedaan… (In plaats daarvan ben ik mijn kasten aan het uitruimen. Wat ook weleens mag gebeuren, maar om nou te zeggen dat het nodig is… Nee.)

Ondertussen probeer ik driftig te achterhalen – bij mezelf en anderen – wat ik moet doen als ik straks terugkom. Welke functie past bij mij? Wat voor werkomgeving? Waar ben ik eigenlijk naar op zoek? Kortom: hoe zorg ik ervoor dat die funemployment leuk blijft zolang het duurt – en dat de fun daarna behouden blijft (maar de unemployment niet)?

Het Antwoord

Gelukkig ken ik mensen die wijzer zijn dan ik. Zij beantwoorden die stortvloed aan vragen met zoiets als: “Wendy, maak je toch niet zo druk. Focus eerst maar eens op het hier en nu, op de vakantie, en op die therapie van je, en dan komt de rest vanzelf wel.” … O ja, da’s waar ook.

Dus af en toe gaat die wanhoop héél eventjes de kast in, maar een dag of twee later draaien mijn hersenen weer constant hetzelfde liedje.

Maar – heujjj, nieuw inzicht – wat nou als er gewoon nog geen antwoord is? Althans, geen ultiem antwoord? Wat als ik hooguit een paar aanwijzingen bij elkaar kan verzamelen, en af kan gaan op mijn gevoel, maar meer niet? Wat als al die vraagtekens er gewoon zijn?

Hoe eng is dat dan? Natuurlijk, onduidelijkheid is eng, en vaag, en moeilijk uit te leggen, en confronterend, enzovoorts, en een beetje de richting voor ogen hebben is wel zo fijn… Maar onduidelijkheid biedt ook mogelijkheden. Onduidelijkheid betekent dat er speelruimte is – ruimte om naar eigen inzicht in te vullen, iets te leren of nieuwe dingen uit te proberen. En dat klinkt helemaal niet eng. Sterker nog: speelruimte klinkt als fun!

Dus misschien moet ik helemaal niet proberen om voorafgaand aan of tijdens mijn funemployment die ultieme baan te vinden. Misschien kom ik een stuk verder – en met meer plezier – als ik accepteer dat er op dit moment nog veel onduidelijk is, en dat die vragen zich niet laten oplossen door er eindeloos over na te denken, maar alleen door er iets mee te doen. Gissen en missen, en dan nog een keer gissen, en iets minder hard missen, en nog een keer, en nog een keer… Dat idee.

Mijn koffer en kamer zijn er nog lang niet klaar voor, maar ik wel!

Foto: “Question Mark Block” door Jared Cherup, licentie CC BY-NC-ND 2.0

helder water in de Vintgarkloof

Watermomenten

Mijn dagelijks leven bestaat tegenwoordig uit drie soorten momenten. Die noem ik bij deze de soepzooi-, poets-, en watermomenten.

  1. Soepzooimomenten: waarop ik er een ongelooflijke bende van maak (omdat ik zo neerslachtig of moe ben dat ik niet anders kan dan er een ongelooflijke bende van maken);
  2. Poetsmomenten: waarop ik de soepzooi probeer te verwerken (op een praktische stoffer-en-blik manier, óf met behulp van de psycholoog);
  3. Watermomenten: neutrale momenten, die niet bijdragen aan het zootje,  maar het ook niet minder maken.

De verhouding tussen die momenten verschilt van dag tot dag, maar ligt meestal zo rond de 50-30-20, denk ik. De afgelopen weken voelde het soms stukken zwaarder, 70-10-20, maar sinds ik op mijn werk een paar flinke stappen terug mocht/moest doen, ervaar ik meer rust en ruimte. (Tegelijkertijd voelt het vreselijk beschamend – huh, ik moet deze opdracht toch aankunnen?! – maar blijkbaar werkt het zo niet.)

Het zijn gek genoeg vooral de watermomenten die mij bijblijven. Waarschijnlijk omdat ik de soepzooimomenten het liefst zo snel mogelijk vergeet – heb ik nou net serieus mijn fiets uit de achtertuin gehaald, en mijn fietstas daar laten staan?! – en mijn aandacht tijdens de poetsmomenten volledig in beslag genomen wordt door het hier en nu. Dan moet er gewerkt worden, punt uit. Tussen die momenten door, tussen “geen zin” en “geen tijd”, vormen de watermomenten belangrijke rustpunten.

En dan niet op z’n Trumps – als je “water moment” intikt op Google, krijg je vooral Donald Trump te zien, die zelfs de meest basale activiteiten tot ronduit gênante momenten weet te vervormen – maar op een fijne, relaxte, ‘nu-even-niet’ manier.

Dat kan trouwens met water, maar ook prima zonder. Al gaan water en watermomenten uiteraard wel goed samen. (De stortdouche bij het zwembad. <3 )

Voorbeelden van watermomenten:

  • Ik heb deze week (weer) een boek uitgelezen: “Well, That Escalated Quickly” van Franchesca Ramsey! En er stonden zoveel wetenswaardigheden in dat ik er op korte termijn méér over wil schrijven.
  • Het wekelijkse uurtje Zumba! Heel fijn om weer terug te zijn, nog fijner om weer nieuwe nummers te ontdekken.
  • De reis die ik van de zomer ga maken, krijgt langzaam maar zeker meer vorm. Met de nadruk op “langzaam”: deze keer boek ik niet alle tickets en overnachtingen in één keer, maar alles op zijn tijd.
  • Ik doe al langer aan yoga, maar nu heb ik eindelijk een routine gevonden die van begin tot eind goed voelt. Met “goed” bedoel ik niet zozeer aangenaam – sommige houdingen zijn allesbehalve comfortabel voor mij – maar wel een goede balans tussen uitdagend en ontspannend.

Fijne tegenhangers voor de soepzooi- en poetsmomenten!

Over vermoeidheid (meer moe, meest moe?)

Sinds ik in therapie ben, ontdek ik een compleet nieuwe gradatie van moe zijn.

Waar ik voorheen dacht dat vermoeidheid bij mij optrad na een fulltime werkweek, of na een nachtje overslaan, kom ik er nu achter dat die vermoeidheid nog wel te doen is. Als in: ik moet het niet te vaak achter elkaar proberen, maar zo af en toe lukt best.

Deze kende ik ook al: ‘moe zijn omdat de wekker regelmatig om zes uur gaat’ – waardoor ik trouwens ook om zes uur wakker word als ‘ie niet gaat… Een irritante vermoeidheid, waar zo’n beetje half Nederland last van lijkt te hebben. En ergens maakt dat het nóg irritanter, want sinds wanneer ben ik zo burgerlijk?! Maar goed. We zijn nog steeds met 17 miljoen Nederlanders, dus ook met deze vermoeidheid valt uiteindelijk prima te leven.

tekening van mijzelf, terwijl ik moe lig te zijnMaar dan deze vermoeidheid… Slaap die achter mijn ogen brandt. Stijve ledematen. Het voortdurend koud hebben. (Terwijl ik toch echt geen koukleum ben.) On-ge-loof-lijk vergeetachtig zijn. (Dat was ik altijd al, maar ook vergeetachtigheid blijkt een vergrotende trap te hebben… Dedju, het kan nog erger.) Mezelf nérgens meer op kunnen concentreren. Alleen nog maar willen slapen en eten, slapen en eten. Moe zijn als ik wakker word, moe zijn tijdens het middageten, en moe zijn als ik naar bed ga… En dat een paar dagen achter elkaar, om de week.

Dit heb ik (gelukkig?) nog niet eerder meegemaakt. En nu vraag ik me af wat er nog meer mogelijk is. Als in: ik hoop dat dit de hoogst haalbare gradatie van vermoeidheid is – laat het alsjeblieft niet nóg erger kunnen zijn – maar misschien is dit hooguit “meer moe”… Misschien heb ik vermoeidheid jarenlang schandalig onderschat.

Hoe dan ook: extreme vermoeidheid is een neveneffect van de therapie die ik nu volg, dus ik mag vooral hopen dat dit (a) betekent dat de therapie werkt en (b) ooit weer overgaat… Wie moe is, moet prioriteiten stellen, toch?

Driedubbel trubbel

Ik ben nu officieel flink aan het sukkelen.

Woensdag naar de huisartsenpraktijk gefietst met mijn enkel (en de rest), en vanuit daar richting polikliniek om een röntgenfoto te laten maken. Vandaag kreeg ik te horen dat daarop blijkbaar niets bijzonders te zien valt – zoals de huisarts eigenlijk al verwachtte – en dus kreeg ik het advies om langs te gaan bij een fysiotherapeut.

Lees verder

Kwetsbaar

Kwetsbaarheid

Een tijdje geleden stuurde één van de trainees een NRC-opiniestuk rond, over kwetsbaarheid. Volgens de schrijvers moeten we vaker kwetsbaarheid tonen op de werkvloer, want dat is het perfecte tegengif tegen de prestatiemaatschappij. Maar terwijl ik de tekst las, kon ik alleen maar denken: “Oké, wie wil er dan een beetje van mijn tegengif overnemen?” Ik had er immers méér dan genoeg van…

Terwijl anderen (“wij” – volgens de schrijvers) blijkbaar verlangen naar de kwetsbare kant van het leven, zat ik regelmatig te huilen onder werktijd, al dan niet stiekem. En daardoor voelde ik me niet bepaald “vrij en een prettiger mens en collega”.

Ik voelde me kut.

Hoe vaak collega’s ook zeiden dat ze mij dapper vonden en dat het oké was, hoe goed en belangrijk en onvermijdelijk dit ook mag zijn en hoeveel kansen het ook biedt, hoe dan ook – ik vond mijzelf totaal niet dapper, goed of kansrijk. Laat stáán dat ik het idee had dat mijn voorbeeld navolging verdiende! …Allesbehalve dat.

En er was niemand die vroeg: “Mag ik een beetje van jouw spul hebben?”

Volgens mij lijkt kwetsbaarheid in dat opzicht op leedvermaak. Het kan heel erg prettig zijn, maar doorgaans niet voor degene die lijdt.

Gelukkig kan ik op een flinke dosis hulp rekenen – vanuit vrienden en familie, de zorg en mijn werk – en met die hulp kom ik er wel weer bovenop. De situatie voelt (gelukkig) ook niet uitzichtloos. Eerder als een strijd die ik jarenlang uit de weg ben gegaan en die niet langer meer op zich laat wachten. Ik moet nu kiezen tussen beter worden, of bitter. Buigen of barsten. En dus heb ik eigenlijk geen keus.

Maar dat maakt het nog steeds niet makkelijk, plezierig, of iets waar ik ook maar een klein beetje naar verlang. Het liefst zou ik gewoon rechtsomkeert maken, namelijk, en deze hele uitdaging niet aangaan. Ik ben zo al kwetsbaar genoeg. Moet ik dan nóg meer over mezelf praten, therapie volgen, alles terug oprakelen, …?

HOEPEL EEN EIND OP met dat tegengif!

…Tja, zoals het een goed redmiddel betaamt, gaat dat dus niet. Zaten die schrijvers er toch niet helemaal naast.

Door kwetsbaarheid af te schilderen als een ideale remedie, maakten ze het alleen wel een stuk mooier en luchtiger dan het is. En kleiner. Het kan ons namelijk niet alleen redden van de prestatiemaatschappij… maar ook van onszelf.

Foto: “Loneliness door Nishanth Jois, licentie CC BY 2.0

Nuttig met Aangenaam

Bijna iedere week sta ik op zaterdag- of zondagochtend om kwart voor negen in de sportschool, voor een uurtje regelrecht afzien BodyPump. Dat gaat als volgt: om half acht vervloek ik mijn wekker, en een uur later zit ik vol trots op mijn fiets. “Kijk mij eens goed bezig zijn!” Rond tien voor negen loop ik de sportzaal binnen in de hoop dat mijn vaste plek, links naast de middelste zuil, nog vrij is. (Als dat niet het geval is, vind ik de les bij voorbaat al een stuk minder geslaagd.) Vervolgens verzamel ik een fitness step, een matje, een stang en een bonte verzameling schijven en dumbbells, ik gooi daar mijn handdoek en een fles water bij, en om negen uur ben ik klaar voor de warming up. Om een half uur later volledig op instorten te staan, maar vlak daarna krijg ik een enorme adrenaline-boost, en tegen de tijd dat de cooling down begint voel ik me ronduit awesome. (En praat ik nog maar half Nederlands.)

Dat gevoel zakt helaas vrij snel weer weg, maar gelukkig heb ik daar een oplossing voor gevonden: een latte macchiato, en een woonblad. Zodra de les voorbij is, nestel ik mezelf aan de grote tafel bij de bar, met een ‘vtwonen’, ‘Eigen Huis & Interieur’ of ‘Ariadne at Home’. En ik ga pas verder met mijn dag als de koffie op is, ik het hele tijdschrift van voor naar achter uitgeplozen heb (of andersom – ben ik de enige die het lekker vind om achteruit te bladeren?) en alle mooie, grappige of handige ideeën vastgelegd zijn. Heerlijk vind ik dat. En het werkt als een trein, want een week later sta ik me weer af te beulen…

Zo bouw ik niet alleen langzaam (heel langzaam…) spiermassa op, maar ook een collectie foto’s waar de gemiddelde interieurontwerper later vast jaloers op zal zijn. 🙂