Twee Victoriaanse "oortrompetten"

Wat deze foto mij leerde over slechthorendheid

Die mooie toeters hierboven zijn geen kerstversieringen – ho, ho, ho! – maar Victoriaanse ear trumpets. Hoorns of (h)oortrompetten in het Nederlands.

Waarom ik hier een foto plaats van twee ouderwetse hoortoestellen?

Omdat ik al een tijdje zit te broeden op een blogpost over wat iedereen (volgens mij) zou moeten weten over slechthorendheid. En dat blijkt een stuk lastiger te zijn dan het in elkaar draaien van een feestelijk vijfgangenmenu.

Ten eerste is “Wat Iedereen Zou Moeten Weten Over Slechthorendheid” nogal wat. Hoe breng ik dat goed onder woorden?

En minstens zo belangrijk: een aantrekkelijke verpakking! Anders wordt het slechts gelezen door anderhalve man en een paardenkop, en da’s eigenlijk de bedoeling niet.

Dus ging ik op zoek naar een mooie afbeelding.

Meestal is die zoektocht zo gepiept. Ik heb natuurlijk mijn eigen voorraad foto’s, en als daar niets bruikbaars tussen zit kan ik altijd bij Moedertje Internet terecht.

Wie online zoekt naar een foto die bij ‘kerstmis‘ past, vindt duizenden prachtige plaatjes. Professionele foto’s die bij het thema passen én gratis te gebruiken zijn (mits je de bron vermeldt).

Voor onderwerpen als ‘verlies‘, ‘eenzaamheid‘ en zelfs ‘dood‘ geldt trouwens hetzelfde. Het hoeft dus niet eens een vrolijk thema te zijn.

Maar welke zoekterm ik deze keer ook gebruikte – ‘slechthorendheid’, ‘hearing loss‘, ‘deafness‘, ‘hearing impairment‘, you name it – de aantrekkelijke foto’s waren ver te zoeken.

Sterker nog, ik vond er geen.

Wat ik wel vond? Een rare verzameling van oren, gelige hoortoestellen, hersenscans, oude mensen, portretfoto’s (waarop niet te zien valt of de geportretteerde slechthorend is), mensen die gebarentaal gebruiken (wat lang niet alle slechthorenden doen), dieren (?), PowerPoint-dia’s, conferenties en andere, ronduit knullige foto’s.

En zelfs al zouden die foto’s allemaal (min of meer) iets te maken hebben met slechthorendheid, dan nog snap ik er niets van. Als je bij ‘kwetsbaarheid‘ mooie foto’s kunt vinden, waarom dan niet bij dit onderwerp?

Op websites van fabrikanten vond ik een paar fraaie plaatjes, maar no way dat ik die foto’s ga gebruiken. Dan heb ik in no time een claim aan mijn broek hangen.

Uiteindelijk bleek Wikipedia – zoals wel vaker – de reddende engel.

Daar leerde ik meteen dat hoortrompetten niet eens zo heel veel slechter werken dan hun moderne opvolgers. Ze zijn vooral veel zichtbaarder, en daardoor snel uit de mode geraakt.

Gezien het imago dat handicaps hebben, is dat ook niet zo vreemd. (“[…] in onze blindheid, onze doofheid, onze arrogantie.”)

Maar ik had niet verwacht dat het zó moeilijk zou zijn om stijlvolle afbeeldingen van slechthorendheid te vinden. Die geen eigendom zijn van één of ander bedrijf, en waarin de beperking duidelijk te zien is.

En zo leerde ik dat dit onderwerp dringend wat versiering nodig heeft. Een beetje zoals onze huizen en straten, in deze periode van het jaar.

Ik wens jullie hele fijne kerstdagen en een gelukkig 2019!

Foto: “Two Victorian Ear Trumpets” uit de Wellcome Collection Gallery, licentie CC BY 4.0

twee Zwarte Pieten delen strooigoed uit bij een intocht

Wat heeft de Pietendiscussie met doofheid te maken?

Er valt mij iets op aan de discussie rondom Zwarte Piet.

Dat ‘ie lang duurt ja, dat is één. En dat een oplossing waar iedereen zich in kan vinden, verder weg lijkt dan ooit.

Maar er is nog iets.

Ineens lijkt half Nederland (en België) blind en/of doof te zijn.

“We doen het onszelf aan, in onze blindheid, onze doofheid, onze arrogantie.”

Dit citaat komt uit een opinietekst van Jeroen Deckmyn, op de website van de VRT. En hoewel het stuk goed geschreven is, en zijn verhaal sterk lijkt op mijn eigen route door het doolhof van de Pietendiscussie, toch vind ik het maar niks dat hij “blindheid” en “doofheid” hier gelijkstelt aan “arrogantie”.

En hij is niet de enige. Afgelopen zaterdag in Nieuwsuur: “Zwarte Piet-discussie is een gesprek tussen doven”.

In die korte titel gaan zoveel dingen mis, dat het mij pijn doet.

Ten eerste insinueert het dat dove mensen geen goed gesprek zouden kunnen voeren.

Ten tweede: niet kunnen horen en niet willen horen zijn twee volstrekt verschillende dingen. (Vraag het maar aan mijn moeder, als je mij niet gelooft.)

Doofheid is het niet of zeer slecht kunnen horen. Weigeren te luisteren, halsstarrig vasthouden aan je eigen verhaal, arrogantie… Dat is iets anders. Dat “doofheid” noemen is niet alleen een grove belediging voor dove mensen, maar haalt ook onterecht verantwoordelijkheid weg bij mensen die het wel degelijk kunnen horen.

Want als we niet uitkijken, vormen die geveinsde beperkingen straks nog een excuus ook.

O nee, dat gebeurt al. Uit de Trouw: “Kinderen zijn blind voor kleur Zwarte Piet”.

De gedachtegang die daarop volgt, is al gauw: “Zie je wel! Kinderen zien niet dat hij zwart is, dus dan is er geen probleem. Dan is het niet racistisch.”

“Ik zie het niet, dus het is er niet.” Dat zou iemand die echt blind is, eens moeten proberen!

De meeste kinderen zien heus wel wat voor kleur Zwarte Piet heeft. De meeste mensen kunnen de geluiden uit het andere kamp heus wel horen.

Het probleem is dat ze dat niet willen.

En dat heeft doorgaans niets te maken met doofheid, blindheid, of andere handicaps.

Dus stop alsjeblieft met daar verbanden tussen te leggen.

Ik sluit af met een vraag uit het opiniestuk van Jeroen Deckmyn. Omdat zijn verhaal voor mij de druppel was die de emmer deed overlopen. Omdat ik de Pietendiscussie – en die over racisme – niet op een zijspoor wil zetten. En omdat we “niet willen” volgens mij alleen kunnen oplossen met een combinatie van vriendelijkheid en nieuwsgierigheid.

“Zou het niet aardig zijn – en vooral interessant! – om een keer te luisteren naar die mensen? Naar wat zij te zeggen hebben over ons?”

Foto: “Aankomst Sinterklaas” door Toon Van de Putte, licentie CC BY-NC 2.0

Assepoester verliest haar muiltje

Glazen muiltje

Ik heb mijn ideale vakgebied gevonden. Een half jaar geleden wist ik nog niet eens van het bestaan af, maar gemeenten (en andere overheidslagen) verdiepen zich sinds kort in een onderwerp dat mij werkelijk op het lijf geschreven is: het VN-verdrag inzake de Rechten van Mensen met een Beperking.

En hoewel ik het een goed, uitdagend, interessant en belangrijk onderwerp vind, dat ook best te rijmen valt met mijn missie enzo… Toch wringt er iets. Of eigenlijk wringt er helemaal niets, en juist daarom word ik er een beetje kriegelig van. Het VN-verdrag en ik passen zó goed bij elkaar, dat anderen het op zijn minst een beetje raar zouden vinden als ik er na mijn traineeprogramma niet mee verder zou gaan. (“Wat meer inbreng van ervaringsdeskundigen zou heel goed zijn”, klinkt het dan.)

Het doet mij echter vooral denken aan die keer dat iemand tegen me zei hoe bijzonder ze het wel niet vond dat ik, als slechthorende, taalwetenschap gestudeerd had. Alsof het hebben van een (fysieke) beperking samenhangt met het hebben van bepaalde interesses. Alsof, vanwege mijn gehoor, mijn liefde voor taal volautomatisch óók beperkt zou moeten zijn.

Dat bepaal ik zelf wel.

En natuurlijk zijn dat soort opmerkingen (bijna?) nooit slecht bedoeld, en het zou inderdaad goed zijn als het VN-verdrag minder vóór en meer dóór mensen met een beperking verwezenlijkt wordt. “Niets over ons, zonder ons!”

Alleen, dan moeten zij daar wel zélf voor gekozen hebben. In een inclusieve samenleving – een samenleving waarin het VN-verdrag overbodig zou zijn – kunnen gehandicapte mensen namelijk niet alleen meedoen, ze hebben ook keuzevrijheid. De vrijheid om bijvoorbeeld, net als mensen die (zogezegd) niets mankeren, te kiezen wat voor werk ze willen doen – en dus ook wat voor werk ze niet willen doen.

Heb ik voor deze opdracht gekozen? …In alle eerlijkheid: mwoah. Ik mocht een top drie invullen, en deze opdracht heb ik op twee gezet, maar alleen omdat ik het niet aandurfde om mijn persoonlijke topfavoriet – een opdracht rondom statushouders(!) in Breda(!) – op zowel de eerste, tweede als derde plaats in te vullen. (Met 46 andere trainees in de poule kun je maar beter een beetje realistisch zijn.) Dus ja, die opdracht rondom het VN-verdrag is niet zomaar op mijn bordje geschoven, maar als het aan mij had gelegen…

Misschien voelt het daarom ietwat ongemakkelijk. Een opdracht die mij als gegoten zit, terwijl ik liever iets anders zou doen.

Toen Assepoester haar glazen muiltje opnieuw mocht aantrekken, aarzelde ze geen moment, omdat ze wist dat zij daardoor haar prins weer zou zien. Maar stel nou dat prins Charming haar hart niet veroverd had. Wat als Assepoester, een paar dagen eerder, iemand had gezien die zij nog nét iets leuker vond? Dan had ze dat perfect passende schoentje vast een stuk minder enthousiast aangetrokken… Of zelfs aan haar voorbij laten gaan. (Want zeg nou zelf: een muiltje van glas?!)

Afijn. Over een half jaar mag ik weer iets anders gaan doen – als ik dat tegen die tijd nog wil. En tot die tijd maak ik hier gewoon zeg maar echt mijn ding van.

Voor de klas

Ik heb een haat-liefdeverhouding met scholen. Aan de ene kant vind ik het fantastische plekken: je kunt er een hoop kennis opdoen en dat wordt dan ook nog eens beloond met punten. Geweldig! Als ik ergens kan uitblinken, dan is het wel op zo’n plek… Maar helaas heb ik ook veel nare herinneringen aan mijn schooltijd. Mishandeling, angst, eenzaamheid… Als ik ergens flink beschadigd ben, dan is het daar wel.

Om die reden heb ik nog steeds gemengde gevoelens als ik een school binnenloop, en dat heb ik de afgelopen maanden vaak moeten doen. Weliswaar niet meer als leerling, maar een school blijft nu eenmaal een school. Hier en daar staat tegenwoordig een digibord of een laptop, en vrijwel alle leerlingen hebben een smartphone, maar voor de rest zien de scholen er anno 2015 nog vrijwel hetzelfde uit als in mijn tijd. (God, wat klinkt dat oud.) Dezelfde geur, dezelfde klaslokalen, dezelfde groepjes, dezelfde popiejopies, meelopers en buitenbeentjes.

Toch voel ik me niet onprettig als ik voor de klas sta. Integendeel. Een lokaal vol luidruchtige tieners? Ik lust ze rauw. Soms moet ik op één ochtend vijf keer dezelfde presentatie geven, maar – hoe saai het ook mag lijken – ik doe het met plezier. Zelfs voor die paar etterbakjes die voortdurend door mijn verhaal heen tetteren. (Het is heel leuk om één van hen te vragen “Wil jij mijn presentatie misschien overnemen?”, en dan even te luisteren naar de stilte die daarop volgt.)

Maar dat betekent nog niet dat ik nu van plan ben om lerares te worden. Ik heb de afgelopen maanden namelijk óók gemerkt dat school en slechthorendheid geen goede combinatie vormen. Al dat rumoer, en die hoge kinderstemmetjes… Geen wonder dat ik het sociaal gezien moeilijk had op school.

Daarbij, als doodgewone lerares ben je nog niet half zo interessant dan als bezoeker uit een ander land. Mijn handtekening prijkt al in tientallen schriftjes – tijdens zo’n handtekeningensessie voel ik me echt een cultureel ambassadrice – en de meeste leerlingen zijn één en al oor als ik aan het vertellen ben. Volgens mij moet een lerares heel wat meer moeite doen om diezelfde hoeveelheid aandacht te krijgen.

Zolang voor de klas staan slechts een deel uitmaakt van mijn dagelijkse werkzaamheden, zoals nu, vind ik het prima. Die schoolbezoekjes werken lekker relativerend, vooral op basisscholen. Na veertig minuten over Nederland gepraat te hebben, is de eerste vraag die ik krijg meestal zoiets als: “Heb jij een kat?”… Als lerares zou ik waarschijnlijk moedeloos worden van zo’n vraag, maar nu werkt het voornamelijk op mijn lachspieren. En als er iets therapeutisch werkt, dan is het dat wel.

Bij ons staat op de keukendeur…

Hoe vier je carnaval als je een taalliefhebber, blogger én muts bent? (1) Door je hart op te halen aan alle woordspelingen, zodanig dat je totaal vergeet om zelf iets te schrijven. De goede voornemens lagen efkes in de koelkast, onder het ontbijtspek. (2) Door meteen op de eerste avond iets kwijt te raken, namelijk een – best wel waardevol – hoortoestel.

Nu was dat laatste geen ‘echte’ mutsenactie, in die zin dat ik het niet zelf ergens heb achtergelaten, maar toch… In mijn tas zaten spullen van mij én van een vriendin, en mijn gehoorapparaatjes zaten in één vakje, achter een rits, en aan het eind van de avond bleek uitgerekend dat ene vakje bijna leeg te zijn. Typisch.

Minder typisch: het apparaatje is nog altijd spoorloos. Normaal gesproken vind ik de dingen die ik kwijtraak, vrij snel weer terug. Nadenken, zoeken, bidden tot de heilige Antonius, nog een keer zoeken, en klaar. Maar met carnaval is alles anders, zo blijkt maar weer. Zelfs een artikel in de krant leverde niets op. Had de heilige Antonius een kater? Wie weet.

Toch stond ik de volgende dag alweer over lekkere dweilen te zingen, alsof er niets aan de hand was. Ik had ook thuis kunnen blijven, maar dan had ik dubbel gebaald. Bovendien:  ik heb geen hoortoestellen nodig in al dat lawaai. Vandaar dat ze vrijdag in mijn tas zaten. Lekker veilig, voor mijn oren…

Afijn, na vijf dagen carnavallen was ik – zoals meestal rond die tijd – snipverkouden en een beetje verliefd, dus wezenlijk had het niet zoveel invloed. En waarschijnlijk valt het feestvieren minder schaailek uit dan ik dacht: volgens mijn audicien heb ik drie jaar geleden een vervangingsverzekering afgesloten (en daar in één keer voor betaald, vandaar dat ik het niet meer wist). Gelukkig!

Volgend jaar toch maar iets beter wegstoppen, die dingen…

Topprestatie

Sinds dinsdag ben ik weer officieel een Brabantse, en diezelfde dag kreeg ik van de audioloog te horen dat ik het eigenlijk buitengewoon goed hoor voor iemand die zo slechthorend is als ik. …Snapte’t?

Met hoortoestellen hoor ik het blijkbaar beter dan wat je, op basis van wat ik zonder toestellen kan horen, zou mogen verwachten. Hoe dat kan? Geen idee. Misschien moet ik mijn lichaam afstaan aan de wetenschap, zodat een paar bollebozen na mijn overlijden mijn hersenen in honderden plakjes kunnen snijden, op zoek naar het antwoord…

Maar goed, ik ging nu juist naar de audioloog omdat ik het de laatste tijd niet goed hoor. Ik laat mijn oren alleen testen als het echt nodig is – het is absoluut geen hobby van me – en dus had de audioloog weinig vergelijkingsmateriaal, maar het klopt dat mijn gehoor er de laatste jaren op achteruit gegaan is. Van 95% ‘woordverstaan in een stille omgeving’ naar 85%. (Al mag je die percentages gerust met een schep zout nemen, want ik ben dinsdag twee keer getest en de eerste keer kwam er 90% uit en de tweede keer 80%… Heul betrouwbaar dus.)

Met die 85% zit ik nu dus net op of onder een belangrijke gehoorgrens, maar nog wel boven de ‘lijn der verwachting’. En dat voelt heel dubbel. Aan de ene kant: het volgen van gesprekken kost meer moeite dan voorheen, en dat is best frustrerend. En tegelijkertijd zou ik me in mijn handen moeten wrijven met dat percentage, want het gaat nog steeds erg goed…

Het doet me denken aan de topsporters van 10, 20 jaar geleden. Gianni Romme kan ongetwijfeld nog steeds heel hard schaatsen, en Dennis Bergkamp zal nog altijd een goede voetballer zijn. Maar of zij dat ook zo ervaren?

Hoe dan ook: er is nu meer duidelijkheid, en met die 85% zal het ook wel lukken. Misschien niet in de Premier League, maar toch zeker ergens anders.

2015

Mijn goede voornemens voor dit jaar:

(1) Elke week iets op mijn blog plaatsen!
Ahem… Dat begint al goed.
Maar vinden jullie ook niet dat 2015 pas echt begint in de tweede week van januari? Als alle oliebollen op zijn, en de kerstbomen verdwenen?
Trouwens, wat mij betreft slaan we januari volgend jaar helemaal over. Januari is de maandag van het jaar: een koude, grijze, trage maandag. December was namelijk veuls te leuk en pas in februari begint iedereen een beetje warm te lopen. Mijn voorstel: voortaan beginnen we het jaar in februari. Tenzij car
naval in maart valt, dan beginnen we lekker in maart.

(2) Geen Facebook meer!
Eind vorig jaar – twee weken geleden – heb ik mijn profiel op Facebook gedeactiveerd, en ik moet zeggen: het valt niet mee. “Hm, eens even op Fa… oh.” En dat dus al bijna twee weken lang, zo’n vier keer per dag. Als het niet vaker is…
Tegelijkertijd: ik heb (nog?) niet het idee dat ik belangrijke informatie mis, of dat mijn actie gelijkstaat aan sociale zelfmoord. Waar ik wel bang voor was.
Ergens heb ik het idee dat ik nu alle quasi-sociale rommel kwijt ben en de belangrijke zaken alsnog te weten kom, maar dat zou ik evengoed verzonnen kunnen hebben, om het gemis te verzachten.

(3) Op naar de horizon!
Nog maar een paar dagen en dan breekt de Grote Verhuisdag aan. Dag Diemen, terug naar mijn ouders. Niet zo spannend, misschien, maar het is hoe dan ook een verandering van omgeving.
De maanden februari en maart zijn nog niet ingevuld (zie het volgende punt), maar in april ga ik drie weken naar Krakau voor een cursus Pools en als het goed is – dat wil zeggen, als de subsidie-aanvraag deze keer wél goed verloopt – vertrek ik half mei naar Wrocław om daar als EVS-vrijwilliger aan de slag te gaan, tot februari 2016. Spannend!

(4) Uitvogelen wat er scheelt!
Mijn gehoor is de afgelopen maand helaas niet verbeterd en dus ben ik maar weer eens in de medische mallemolen gestapt. Niet leuk, maar eenmaal in Polen zou het nog veel lastiger zijn. Voorlopig weet ik alleen dat mijn oren brandschoon zijn – er zit geen blokkade van oorsmeer in de gehoorgang. Het klinkt misschien gek, maar ik vind dat ontzettend jammer. Liever een walgende doktersassistent die de boel daarna eenvoudig schoon kan spuiten, dan een lange reeks hoortesten en audiologen en weet-ik-wat-nog-meer. Wordt vervolgd.

(5) Vaker weten ‘waarom’!
Het meest eenvoudige en toch ook lastigste punt: beter naar mezelf luisteren – met de nadruk op ‘mezelf’. Bij de dingen die ik doe, vraag ik me vaak af wat anderen ervan zullen vinden. In mijn hoofd hebben die anderen meestal geen positief beeld van mij, met als resultaat dat ik mezelf beperkingen opleg die waarschijnlijk helemaal niet nodig zijn. De titel van mijn weblog is bedoeld als geheugensteuntje (“ik weet waarom ik dit doe en dat is het voornaamste”) en dit jaar wil ik daar meer naar leven.

Linke soep

Het sluipt erin. Een extra “Wat?”. Kleine misverstandjes. Een zinnetje niet kunnen verstaan. De gedachte: ‘Laat maar…’ En de eerste opmerking. “Je bent het slechter gaan horen, hè?” Mwoah, misschien, het zou kunnen. Maar het zal wel aan de hoortoestellen liggen…

Toch worden de signalen steeds duidelijker. Er gaat thuis geen half uur voorbij waarin ik niet hoef te vragen wat er zojuist gezegd is. Delen van gesprekken gaan soms volledig langs me heen. En dat is linke soep. Verdomd linke soep. Maar waarschijnlijk merk ik het vanzelf als het belangrijk wordt, of als ik iets moet zeggen. Hopelijk. Het zal wel meevallen. De soep wordt nooit zo heet gegeten…

En voor je het weet, is het normaal. Ik ben toch altijd al slechthorend geweest? Het is helemaal niet moeilijk. En het gaat prima. Gewoon, zoals het hoort.

Zaterdagochtend, het Amsterdam Museum. De tentoonstelling Amsterdam DNA heb ik al eens eerder gezien. Op transparante schermen worden filmpjes geprojecteerd die de geschiedenis van Amsterdam mooi samenvatten. Vlak voor elk scherm staat een zuil met vier ronde, zwarte luidsprekertjes die met kabeltjes aan de zuil vastzitten. Als je er eentje naast je oor houdt, kun je de informatie bij het filmpje beluisteren. Tenminste… Dat kon ik.

Toen wel, nu niet. Een glashelder moment. Geen gelegenheid voor smoesjes.

Met veel moeite kan ik de rode draad van het verhaal volgen, maar ik voel er meer voor om het luidsprekertje los te rukken en dwars door de zaal te smijten. Keihard, als een kogel. Het scherm moet aan diggelen. “Tja, je bent wel harder gaan praten de laatste tijd…” Natuurlijk. Mooi is dat.

Fuck… Ik heb mijn handen vol aan een cursus, mijn werk, een naderende verhuizing en een plan voor 2015. Moet dit er ook bij? Echt?

Bah, bah en nog eens bah.

Ondertiteling

Onlangs kreeg ik slappe knietjes van het volgende bericht: een onderzoeksteam van het Georgia Institute of Technology heeft een app ontwikkeld die gesproken taal direct kan omzetten naar geschreven tekst. En die tekst kan dan worden weergegeven in Google Glass, de slimme bril van Google. Met andere woorden: live ondertiteling, altijd en overal… Halleluja!

Als fervent gebruiker van teletekstpagina 888 zag ik meteen een gouden toekomst voor me, maar ik vraag me ook af in hoeverre real-life ondertiteling haalbaar is. Hoe betrouwbaar wordt die tekst bijvoorbeeld? En is Google’s bril straks slim genoeg om te bepalen welke stemmen wel en niet ondertiteld moeten worden? (Vooralsnog werkt de app – helaas – alleen bij een één-op-één gesprek.) En hoe zit het met de snelheid? Tijdens live televisie-uitzendingen laat ik TT888 vaak ongemoeid, want dan loopt de ondertiteling behoorlijk achter op het gesprek. Kan de wetenschap die vertraging wegwerken? Of zien we binnenkort iemand met een Glass op zijn neus ineens in lachen uitbarsten, om een grap die een halve minuut geleden al verteld was?

En, los van alle praktische vraagtekens: hoe gaat die ondertiteling eruit zien? Ik hoop bijvoorbeeld dat het bij het weergeven van gesproken taal blijft. Teletekst gaat namelijk nog een stap verder, door ook sfeergeluiden in tekst om te zetten. Poëtische scenes worden verminkt door potsierlijke hoofdletters tussen blokhaken: [ROMANTISCHE MUZIEK]. Gruwelijk. Hopelijk laat Google Glass de sfeer met rust. Je moet er toch niet aan denken dat je tijdens een lekkere vrijpartij ineens [ZOENGELUIDEN] ziet verschijnen? Ik noem maar iets…

Maar goed, we moeten nog even afwachten of – en hoe – het gaat werken. De app werkt vooralsnog alleen in het Engels en kan nog niet gebruikt worden op de slimme brillen die momenteel in de (Amerikaanse en Engelse) winkels liggen… Wordt vervolgd.
[SPANNENDE MUZIEK]