Twee Victoriaanse "oortrompetten"

Wat deze foto mij leerde over slechthorendheid

Die mooie toeters hierboven zijn geen kerstversieringen – ho, ho, ho! – maar Victoriaanse ear trumpets. Hoorns of (h)oortrompetten in het Nederlands.

Waarom ik hier een foto plaats van twee ouderwetse hoortoestellen?

Omdat ik al een tijdje zit te broeden op een blogpost over wat iedereen (volgens mij) zou moeten weten over slechthorendheid. En dat blijkt een stuk lastiger te zijn dan het in elkaar draaien van een feestelijk vijfgangenmenu.

Ten eerste is “Wat Iedereen Zou Moeten Weten Over Slechthorendheid” nogal wat. Hoe breng ik dat goed onder woorden?

En minstens zo belangrijk: een aantrekkelijke verpakking! Anders wordt het slechts gelezen door anderhalve man en een paardenkop, en da’s eigenlijk de bedoeling niet.

Dus ging ik op zoek naar een mooie afbeelding.

Meestal is die zoektocht zo gepiept. Ik heb natuurlijk mijn eigen voorraad foto’s, en als daar niets bruikbaars tussen zit kan ik altijd bij Moedertje Internet terecht.

Wie online zoekt naar een foto die bij ‘kerstmis‘ past, vindt duizenden prachtige plaatjes. Professionele foto’s die bij het thema passen én gratis te gebruiken zijn (mits je de bron vermeldt).

Voor onderwerpen als ‘verlies‘, ‘eenzaamheid‘ en zelfs ‘dood‘ geldt trouwens hetzelfde. Het hoeft dus niet eens een vrolijk thema te zijn.

Maar welke zoekterm ik deze keer ook gebruikte – ‘slechthorendheid’, ‘hearing loss‘, ‘deafness‘, ‘hearing impairment‘, you name it – de aantrekkelijke foto’s waren ver te zoeken.

Sterker nog, ik vond er geen.

Wat ik wel vond? Een rare verzameling van oren, gelige hoortoestellen, hersenscans, oude mensen, portretfoto’s (waarop niet te zien valt of de geportretteerde slechthorend is), mensen die gebarentaal gebruiken (wat lang niet alle slechthorenden doen), dieren (?), PowerPoint-dia’s, conferenties en andere, ronduit knullige foto’s.

En zelfs al zouden die foto’s allemaal (min of meer) iets te maken hebben met slechthorendheid, dan nog snap ik er niets van. Als je bij ‘kwetsbaarheid‘ mooie foto’s kunt vinden, waarom dan niet bij dit onderwerp?

Op websites van fabrikanten vond ik een paar fraaie plaatjes, maar no way dat ik die foto’s ga gebruiken. Dan heb ik in no time een claim aan mijn broek hangen.

Uiteindelijk bleek Wikipedia – zoals wel vaker – de reddende engel.

Daar leerde ik meteen dat hoortrompetten niet eens zo heel veel slechter werken dan hun moderne opvolgers. Ze zijn vooral veel zichtbaarder, en daardoor snel uit de mode geraakt.

Gezien het imago dat handicaps hebben, is dat ook niet zo vreemd. (“[…] in onze blindheid, onze doofheid, onze arrogantie.”)

Maar ik had niet verwacht dat het zó moeilijk zou zijn om stijlvolle afbeeldingen van slechthorendheid te vinden. Die geen eigendom zijn van één of ander bedrijf, en waarin de beperking duidelijk te zien is.

En zo leerde ik dat dit onderwerp dringend wat versiering nodig heeft. Een beetje zoals onze huizen en straten, in deze periode van het jaar.

Ik wens jullie hele fijne kerstdagen en een gelukkig 2019!

Foto: “Two Victorian Ear Trumpets” uit de Wellcome Collection Gallery, licentie CC BY 4.0

twee Zwarte Pieten delen strooigoed uit bij een intocht

Wat heeft de Pietendiscussie met doofheid te maken?

Er valt mij iets op aan de discussie rondom Zwarte Piet.

Dat ‘ie lang duurt ja, dat is één. En dat een oplossing waar iedereen zich in kan vinden, verder weg lijkt dan ooit.

Maar er is nog iets.

Ineens lijkt half Nederland (en België) blind en/of doof te zijn.

“We doen het onszelf aan, in onze blindheid, onze doofheid, onze arrogantie.”

Dit citaat komt uit een opinietekst van Jeroen Deckmyn, op de website van de VRT. En hoewel het stuk goed geschreven is, en zijn verhaal sterk lijkt op mijn eigen route door het doolhof van de Pietendiscussie, toch vind ik het maar niks dat hij “blindheid” en “doofheid” hier gelijkstelt aan “arrogantie”.

En hij is niet de enige. Afgelopen zaterdag in Nieuwsuur: “Zwarte Piet-discussie is een gesprek tussen doven”.

In die korte titel gaan zoveel dingen mis, dat het mij pijn doet.

Ten eerste insinueert het dat dove mensen geen goed gesprek zouden kunnen voeren.

Ten tweede: niet kunnen horen en niet willen horen zijn twee volstrekt verschillende dingen. (Vraag het maar aan mijn moeder, als je mij niet gelooft.)

Doofheid is het niet of zeer slecht kunnen horen. Weigeren te luisteren, halsstarrig vasthouden aan je eigen verhaal, arrogantie… Dat is iets anders. Dat “doofheid” noemen is niet alleen een grove belediging voor dove mensen, maar haalt ook onterecht verantwoordelijkheid weg bij mensen die het wel degelijk kunnen horen.

Want als we niet uitkijken, vormen die geveinsde beperkingen straks nog een excuus ook.

O nee, dat gebeurt al. Uit de Trouw: “Kinderen zijn blind voor kleur Zwarte Piet”.

De gedachtegang die daarop volgt, is al gauw: “Zie je wel! Kinderen zien niet dat hij zwart is, dus dan is er geen probleem. Dan is het niet racistisch.”

“Ik zie het niet, dus het is er niet.” Dat zou iemand die echt blind is, eens moeten proberen!

De meeste kinderen zien heus wel wat voor kleur Zwarte Piet heeft. De meeste mensen kunnen de geluiden uit het andere kamp heus wel horen.

Het probleem is dat ze dat niet willen.

En dat heeft doorgaans niets te maken met doofheid, blindheid, of andere handicaps.

Dus stop alsjeblieft met daar verbanden tussen te leggen.

Ik sluit af met een vraag uit het opiniestuk van Jeroen Deckmyn. Omdat zijn verhaal voor mij de druppel was die de emmer deed overlopen. Omdat ik de Pietendiscussie – en die over racisme – niet op een zijspoor wil zetten. En omdat we “niet willen” volgens mij alleen kunnen oplossen met een combinatie van vriendelijkheid en nieuwsgierigheid.

“Zou het niet aardig zijn – en vooral interessant! – om een keer te luisteren naar die mensen? Naar wat zij te zeggen hebben over ons?”

Foto: “Aankomst Sinterklaas” door Toon Van de Putte, licentie CC BY-NC 2.0

een screenshot van de website van De Toekomst van Brabant, met daarop een vermelding van mijn blogpost

“Waar ik vandaan kom” – Brabant

Jaja, het is zover: op de website van de Toekomst van Brabant prijkt een blogpost van mijn hand. De vorige versie van “Waar ik vandaan kom”, die jullie misschien al gelezen hebben, heb ik nog een klein beetje bijgeschaafd. Het uiteindelijke resultaat staat nu op de website (vergezeld van een prachtige foto van mij, ahem) maar ook gewoon hieronder.

Waar ik vandaan kom

Lang geleden – in de jaren ’90 – was Brabant voor mij wat een vissenkom moet zijn voor een vis. Ik woonde in Brabant, mijn familie komt uit Brabant, maar de Brabantse identiteit zei me niet zoveel. Ik dacht dat “Brabant” de plek was waar ik opgroeide. Een plek waar ik mij eigenlijk nooit thuis gevoeld heb.

Begrijp mij niet verkeerd: ik koester warme herinneringen aan “ons thuis”. Het was de omgeving die slecht bij mij paste. En andersom wist die omgeving zich waarschijnlijk ook geen raad met mij. Dat grenzeloos nieuwsgierige meisje dat én slechthorend, én heel slim was. (Ik hoor het ze bijna denken: “Kan zij niet gewoon normaal zijn?” Of beter gezegd: “Mot da nou?“)

In mijn puberteit heb ik nog een poging gewaagd om wat beter te integreren in mijn dorpje, door lid te worden van de plaatselijke KPJ. Maar toen was het kwaad al geschied. Van dat grenzeloos nieuwsgierige meisje was niet veel meer over. Dat wil zeggen: om de pesterijen op school te kunnen overleven, had ik mezelf aangeleerd zo onzichtbaar mogelijk te zijn. Een strategie die enigszins hielp, maar het was absoluut geen succesformule… En hoewel ik bij de KPJ voor het eerst iets van trots voelde bij mijn Brabantse roots – een warm gevoel, vermengd met de geur van verschraald bier onder een zonovergoten tentzeil – toch kon ik niet wachten om daar weg te gaan.

Dus toen ik een leuke studie vond in Amsterdam, aarzelde ik geen moment! Ik verruilde mijn geboortegrond voor de Randstad zonder ook maar een kik te geven. Eindelijk weg uit dat kleine dorpje, waar nooit iets gebeurde en de mensen toch voor van alles en nog wat bang leken te zijn… “Geef mij maar Amsterdam”, dacht ik.

Dacht ik. Ik herinner mij nog steeds de allereerste keer dat ik van mijn studentenkamer naar het station liep, en ik de mensen die ik tegenkwam vriendelijk begroette, zoals ik gewend was. Ze keken mij aan alsof ik dringend psychische hulp nodig had… Niet veel later genoot ik van dat totale gebrek aan sociale controle, van de reuring, en van al die verschillende mensen. Maar ik voelde me soms ook verschrikkelijk eenzaam en onbegrepen. Langzaam maar zeker bleek dat de kloof tussen mijn vertrouwde cultuur en die van Amsterdam te groot was voor mij… En dat ik inderdaad psychische hulp nodig had. (Ik kon bijvoorbeeld maar niet begrijpen dat alle studiegenootjes oprecht aardig waren tegen mij…)

In die periode ben ik Brabant én mijzelf meer gaan waarderen. Het heeft lang geduurd en ging zeker niet zonder slag of stoot. Maar uiteindelijk – na zeven jaar studeren en tien maanden vrijwilligerswerk in Polen – kwam ik terecht in Breda, waar ik nu nog steeds woon. En ja, voor het allereerst in mijn leven voel ik mij ergens volkomen thuis.

Had ik dan niet eerder naar Breda kunnen verhuizen? …Dat had gekund, maar dan zag mijn leven er nu waarschijnlijk totaal anders uit, en niet per se beter. Die tijd in Amsterdam had ik nodig om letterlijk en figuurlijk los te komen van het verleden, en gaf mij onder andere de moed om voor langere tijd naar het buitenland te gaan. Pas daarna, dankzij die positieve ervaringen – en geen moment eerder – durfde ik het aan om te solliciteren bij ‘De Toekomst van Brabant’. Met als resultaat dat ik mij de afgelopen twee jaar met veel plezier heb ingezet voor en laten verwonderen door een provincie die mij vijftien jaar geleden gestolen kon worden… Had ik diezelfde, gigantische dosis (zelf)kennis opgedaan als ik in Brabant gebleven was? Nee, waarschijnlijk niet. Het klopt wat ze zeggen: de weg erheen is écht belangrijker dan de bestemming.

Dat wil trouwens niet zeggen dat ik mijn eindbestemming nu bereikt heb. Daar ben ik nog veel te jong voor. (Al voelt dat niet altijd zo, kuch kuch.) En ook al ben ik hier thuis, er zullen nog heel wat omwegen, afslagen en haarspeldbochten volgen voordat ik dáár ben. Maar het zou mij oprecht verbazen als mijn toekomst niet in Brabant ligt. Want waar ik vandaan kom… Dat hoort bij mij.

Ik wens alle trainees van de huidige én volgende lichting een mooie weg toe.

close-up van een taart met twee kaarsjes erop, in een donkere ruimte

VN-verdrag Handicap: wat valt er te vieren?

Precies twee jaar geleden, op 14 juli 2016, werd het VN-verdrag Handicap door de Nederlandse overheid geratificeerd. (“Ratificeren” is een duur woord voor “officieel bekrachtigen” of “geldig maken”.) Hiep hiep hoera! …Maar wat betekent dat nou eigenlijk? En is er reden voor een feestje?

VN-verdrag inzake de Rechten van Mensen met een Beperking… Ehhh, dus?

Eigenlijk staat er niets nieuws in dit verdrag: het gaat over de standaard (niet overal even standaard) mensenrechten, zoals het recht op onderwijs en het recht op privacy. Rechten die al jarenlang de gelijkheid van mensen onderstrepen… met wisselend resultaat. Omdat mensen met een beperking nog regelmatig ongelijk of “anders” behandeld worden, heeft de VN dit verdrag opgesteld.

Het doel van dit VN-verdrag is dus het versterken van de positie van mensen met een beperking. Het is geschreven voor de overheid maar heeft – bijvoorbeeld via wetswijzigingen – ook invloed op het bedrijfsleven, het onderwijs en uiteindelijk op de hele maatschappij. (Zie maar eens een inclusieve samenleving te bereiken, zonder die samenleving…)

Het VN-verdrag inzake de Rechten van Mensen met een Beperking kan sinds 2007 ondertekend worden. Nederland was één van de laatste Europese landen die het verdrag ratificeerde. In België is het verdrag bijvoorbeeld al sinds 2009 van kracht.

Aha, oké… En is er al veel veranderd?

Dat valt (volgens mij) een beetje tegen. Hoe komt dat?

  • Het VN-verdrag Handicap is ongelooflijk breed. Het gaat over toegankelijkheid, onderwijs, werken, wonen, verkiezingen, gelijkheid voor de wet… En al die onderwerpen kun je verder uitsplitsen: zo bestaat “toegankelijkheid” uit de toegankelijkheid van gebouwen, websites, informatie én het openbaar vervoer… Kortom: er moet een gigantische berg met werk verzet worden.
  • En niet alleen het verdrag is breed, ook de doelgroep. Mensen met een lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of zintuiglijke beperking kunnen eigenlijk niet over één kam geschoren worden. De zoektocht naar aanpassingen die voor iedereen werken – “universal design” – kost tijd.
  • Veel wetten en procedures sluiten nog niet goed aan op dit VN-verdrag. Zo staan er in het Bouwbesluit regels over de toegankelijkheid van gebouwen, maar die stellen weinig voor als je naar de eisen vanuit het VN-verdrag kijkt. De gemiddelde ambtenaar houdt zich echter liever aan de regels die hij kent, dan aan zo’n vaag verdrag… De overheid is nog wel even zoet met het aanpassen van belemmerende wet- en regelgeving.
  • Er werken te weinig mensen met een beperking bij de overheid en in de politiek. Vooral op toonaangevende posities. (Al vind ik dat persoonlijk wel een moeilijke, want ik heb ook gemerkt hoe lastig het is om als ervaringsdeskundige met dit onderwerp bezig te zijn…)
  • Nederland heeft het facultatief protocol bij het VN-verdrag Handicap nog niet ondertekend. Dat betekent onder andere dat de VN geen onderzoek in mag stellen als betrouwbare informatie erop wijst dat Nederland het verdrag schendt. Een verdrag zonder tanden, dus.
  • En zo kan ik nog wel even doorgaan…

Is het dan alleen maar kommer en kwel?

Natuurlijk niet! Zo zijn stemlokalen vanaf 1 januari 2019 100% toegankelijk voor mensen met een lichamelijke beperking en vanaf september 2020 moeten alle websites van de (semi-)overheid voldoen aan de digitale toegankelijkheidseisen.

Het zijn maar een paar voorbeelden, en kleine stapjes, maar hé: vele kleine mensen die in vele kleine oorden vele kleine dingen doen, kunnen het gezicht van de wereld veranderen!

Kan ik misschien ook een steentje bijdragen?

Jazeker! Ik dacht dat je het nooit zou vragen. 😉

Op dit moment heeft stichting “Wij Staan Op!” een petitie online staan tegen de plannen om loondispensatie toe te passen bij mensen met een (arbeids)beperking. Als die loondispensatie een feit wordt, mogen werkgevers hen minder dan het minimumloon betalen en hun pensioenrecht komt te vervallen. Deze plannen druisen niet alleen in tegen het VN-verdrag, maar ook tegen artikel 1 van onze grondwet en tegen zo’n beetje het hele idee van gelijke kansen en gelijkwaardigheid…

Ik mag dus hopen dat deze plannen héél snel van tafel geveegd worden en dat deze petitie uiteindelijk niet eens nodig is, maar voor de zekerheid: hier moet je zijn om ‘m te ondertekenen!

Tot slot: zoals je kunt zien gebruik ik de begrippen “VN-verdrag Handicap” en “VN-verdrag inzake de Rechten voor Mensen met een Beperking” door elkaar heen. Er zijn nog meer benamingen in omloop: “de VN-conventie inzake Rechten van Personen met een Handicap” bijvoorbeeld, of de Engelse afkorting “CRPD”. Dus dat is één, maar ik wil hier ook even aanstippen dat niet iedereen zich kan vinden in (het door elkaar heen gebruiken van) deze begrippen, noch in het VN-verdrag zelf…

Foto: “Birthday Girl” door underthesun, licentie CC BY-NC 2.0

“Onmogelijk tot het gedaan wordt”

We doen dit jaar niet mee met het WK, maar toch is mijn held van deze week een Nederlandse voetballer: Dirk Kuyt. Wil je weten waarom? Bekijk onderstaand filmpje (als je dat nog niet eerder gedaan hebt).

En ja, dit filmpje is stiekem-niet-zo-stiekem óók een reclameboodschap, maar toch… Die commerciële nasmaak wil ik in dit geval best even voor lief nemen.

Quote Nelson Mandela

Over (on)mogelijkheden en beperkingen

Nog even over die quote van vorige week. “Het lijkt altijd onmogelijk tot het gedaan wordt”. Daar wil ik graag wat dieper op ingaan.

(Mocht Nelson Mandela nog geen held van me geweest zijn, dan was ‘ie het nu.)

Omdat ik werk aan de uitvoering van het VN-verdrag voor de Rechten van Mensen met een Beperking, kom ik de laatste tijd iets te veel verhalen tegen over de barrières waar gehandicapte mensen (al dan niet letterlijk) tegenaan lopen.

Barrières die, bedoeld of onbedoeld, bepalen wat zij wel en niet kunnen doen met en in hun levens, relaties en werk.

Zoals jullie misschien al wel weten, raakt dit onderwerp mij persoonlijk, omdat ik regelmatig ervaar hoe hardnekkig (en onnodig!) deze obstakels kunnen zijn.

Mijn gehoor is minder goed dan dat van anderen, minder goed dan nodig is om er geen hinder van te ondervinden, en minder goed dan tien jaar geleden (toen ik ook al slechthorend was). Dus ja, ik weet wat het is om beperkt te zijn, beperkt gevonden te worden, en mij beperkt te voelen.

Maar ik ben méér dan mijn oren.

Er zijn genoeg momenten waarop ik geen last heb van mijn slechthorendheid, en er helemaal niets van merk.

Er zijn ook genoeg momenten waarop ik minder beperkt ben dan anderen. Als ik met het openbaar vervoer reis, ben ik minder beperkt dan iemand in een rolstoel. Als ik een boek lees, ben ik minder beperkt dan iemand met dyslexie. Enzovoorts.

Dat ik slechthorend ben, wil dus niet zeggen dat ik altijd en overal hindernissen tegenkom. (Sterker nog: het kan soms een voordeel zijn. Wat dacht je bijvoorbeeld van mijn nachtrust?)

En andersom hebben de hindernissen die ik wél tegenkom lang niet altijd te maken met die ene officieel erkende beperking…

Zijn er eigenlijk onbeperkte mensen? Nee, toch?

En natuurlijk, de ene beperking brengt veel meer (on)mogelijkheden met zich mee dan de andere.

Maar waarom erkennen we niet wat vaker dat iedereen bepaalde gebreken heeft? Dat het hebben van een beperking ons niet minder mens maakt?  En dat we ondanks én dankzij die gebreken ook heel veel mogelijkheden hebben?

Bereiken we langs die weg niet veel meer, en veel mooiere dingen, dan wanneer wij – of “de maatschappij” – ervan uitgaan dat we perfect (dus onbeperkt) moeten zijn om iets te kunnen bereiken, en dat onze beperkingen per definitie onwenselijk zijn en dus behandeld, gemaskeerd of genegeerd moeten worden? Dat bepaalde zaken nooit zullen veranderen omdat “het nu eenmaal zo werkt”? En dat er een wezenlijk verschil is tussen mensen met en zonder een beperking? (Voor zover er überhaupt sprake kan zijn van “zonder”…)

Volgens mij hebben we sowieso al één beperking met elkaar gemeen – onze tijd op aarde – dus laten we die tijd alsjeblieft een beetje slim doorbrengen. Iedereen is gelijk. Ieder mens heeft beperkingen en (on)mogelijkheden. En als je die twee bij elkaar optelt: het is niet aan een ander om te bepalen wat iemands (on)mogelijkheden zijn.

Nogmaals: “het lijkt altijd onmogelijk tot het gedaan wordt”. Laten we dat onthouden.

Assepoester verliest haar muiltje

Glazen muiltje

Ik heb mijn ideale vakgebied gevonden. Een half jaar geleden wist ik nog niet eens van het bestaan af, maar gemeenten (en andere overheidslagen) verdiepen zich sinds kort in een onderwerp dat mij werkelijk op het lijf geschreven is: het VN-verdrag inzake de Rechten van Mensen met een Beperking.

En hoewel ik het een goed, uitdagend, interessant en belangrijk onderwerp vind, dat ook best te rijmen valt met mijn missie enzo… Toch wringt er iets. Of eigenlijk wringt er helemaal niets, en juist daarom word ik er een beetje kriegelig van. Het VN-verdrag en ik passen zó goed bij elkaar, dat anderen het op zijn minst een beetje raar zouden vinden als ik er na mijn traineeprogramma niet mee verder zou gaan. (“Wat meer inbreng van ervaringsdeskundigen zou heel goed zijn”, klinkt het dan.)

Het doet mij echter vooral denken aan die keer dat iemand tegen me zei hoe bijzonder ze het wel niet vond dat ik, als slechthorende, taalwetenschap gestudeerd had. Alsof het hebben van een (fysieke) beperking samenhangt met het hebben van bepaalde interesses. Alsof, vanwege mijn gehoor, mijn liefde voor taal volautomatisch óók beperkt zou moeten zijn.

Dat bepaal ik zelf wel.

En natuurlijk zijn dat soort opmerkingen (bijna?) nooit slecht bedoeld, en het zou inderdaad goed zijn als het VN-verdrag minder vóór en meer dóór mensen met een beperking verwezenlijkt wordt. “Niets over ons, zonder ons!”

Alleen, dan moeten zij daar wel zélf voor gekozen hebben. In een inclusieve samenleving – een samenleving waarin het VN-verdrag overbodig zou zijn – kunnen gehandicapte mensen namelijk niet alleen meedoen, ze hebben ook keuzevrijheid. De vrijheid om bijvoorbeeld, net als mensen die (zogezegd) niets mankeren, te kiezen wat voor werk ze willen doen – en dus ook wat voor werk ze niet willen doen.

Heb ik voor deze opdracht gekozen? …In alle eerlijkheid: mwoah. Ik mocht een top drie invullen, en deze opdracht heb ik op twee gezet, maar alleen omdat ik het niet aandurfde om mijn persoonlijke topfavoriet – een opdracht rondom statushouders(!) in Breda(!) – op zowel de eerste, tweede als derde plaats in te vullen. (Met 46 andere trainees in de poule kun je maar beter een beetje realistisch zijn.) Dus ja, die opdracht rondom het VN-verdrag is niet zomaar op mijn bordje geschoven, maar als het aan mij had gelegen…

Misschien voelt het daarom ietwat ongemakkelijk. Een opdracht die mij als gegoten zit, terwijl ik liever iets anders zou doen.

Toen Assepoester haar glazen muiltje opnieuw mocht aantrekken, aarzelde ze geen moment, omdat ze wist dat zij daardoor haar prins weer zou zien. Maar stel nou dat prins Charming haar hart niet veroverd had. Wat als Assepoester, een paar dagen eerder, iemand had gezien die zij nog nét iets leuker vond? Dan had ze dat perfect passende schoentje vast een stuk minder enthousiast aangetrokken… Of zelfs aan haar voorbij laten gaan. (Want zeg nou zelf: een muiltje van glas?!)

Afijn. Over een half jaar mag ik weer iets anders gaan doen – als ik dat tegen die tijd nog wil. En tot die tijd maak ik hier gewoon zeg maar echt mijn ding van.

Voor de klas

Ik heb een haat-liefdeverhouding met scholen. Aan de ene kant vind ik het fantastische plekken: je kunt er een hoop kennis opdoen en dat wordt dan ook nog eens beloond met punten. Geweldig! Als ik ergens kan uitblinken, dan is het wel op zo’n plek… Maar helaas heb ik ook veel nare herinneringen aan mijn schooltijd. Mishandeling, angst, eenzaamheid… Als ik ergens flink beschadigd ben, dan is het daar wel.

Om die reden heb ik nog steeds gemengde gevoelens als ik een school binnenloop, en dat heb ik de afgelopen maanden vaak moeten doen. Weliswaar niet meer als leerling, maar een school blijft nu eenmaal een school. Hier en daar staat tegenwoordig een digibord of een laptop, en vrijwel alle leerlingen hebben een smartphone, maar voor de rest zien de scholen er anno 2015 nog vrijwel hetzelfde uit als in mijn tijd. (God, wat klinkt dat oud.) Dezelfde geur, dezelfde klaslokalen, dezelfde groepjes, dezelfde popiejopies, meelopers en buitenbeentjes.

Toch voel ik me niet onprettig als ik voor de klas sta. Integendeel. Een lokaal vol luidruchtige tieners? Ik lust ze rauw. Soms moet ik op één ochtend vijf keer dezelfde presentatie geven, maar – hoe saai het ook mag lijken – ik doe het met plezier. Zelfs voor die paar etterbakjes die voortdurend door mijn verhaal heen tetteren. (Het is heel leuk om één van hen te vragen “Wil jij mijn presentatie misschien overnemen?”, en dan even te luisteren naar de stilte die daarop volgt.)

Maar dat betekent nog niet dat ik nu van plan ben om lerares te worden. Ik heb de afgelopen maanden namelijk óók gemerkt dat school en slechthorendheid geen goede combinatie vormen. Al dat rumoer, en die hoge kinderstemmetjes… Geen wonder dat ik het sociaal gezien moeilijk had op school.

Daarbij, als doodgewone lerares ben je nog niet half zo interessant dan als bezoeker uit een ander land. Mijn handtekening prijkt al in tientallen schriftjes – tijdens zo’n handtekeningensessie voel ik me echt een cultureel ambassadrice – en de meeste leerlingen zijn één en al oor als ik aan het vertellen ben. Volgens mij moet een lerares heel wat meer moeite doen om diezelfde hoeveelheid aandacht te krijgen.

Zolang voor de klas staan slechts een deel uitmaakt van mijn dagelijkse werkzaamheden, zoals nu, vind ik het prima. Die schoolbezoekjes werken lekker relativerend, vooral op basisscholen. Na veertig minuten over Nederland gepraat te hebben, is de eerste vraag die ik krijg meestal zoiets als: “Heb jij een kat?”… Als lerares zou ik waarschijnlijk moedeloos worden van zo’n vraag, maar nu werkt het voornamelijk op mijn lachspieren. En als er iets therapeutisch werkt, dan is het dat wel.

Bij ons staat op de keukendeur…

Hoe vier je carnaval als je een taalliefhebber, blogger én muts bent? (1) Door je hart op te halen aan alle woordspelingen, zodanig dat je totaal vergeet om zelf iets te schrijven. De goede voornemens lagen efkes in de koelkast, onder het ontbijtspek. (2) Door meteen op de eerste avond iets kwijt te raken, namelijk een – best wel waardevol – hoortoestel.

Nu was dat laatste geen ‘echte’ mutsenactie, in die zin dat ik het niet zelf ergens heb achtergelaten, maar toch… In mijn tas zaten spullen van mij én van een vriendin, en mijn gehoorapparaatjes zaten in één vakje, achter een rits, en aan het eind van de avond bleek uitgerekend dat ene vakje bijna leeg te zijn. Typisch.

Minder typisch: het apparaatje is nog altijd spoorloos. Normaal gesproken vind ik de dingen die ik kwijtraak, vrij snel weer terug. Nadenken, zoeken, bidden tot de heilige Antonius, nog een keer zoeken, en klaar. Maar met carnaval is alles anders, zo blijkt maar weer. Zelfs een artikel in de krant leverde niets op. Had de heilige Antonius een kater? Wie weet.

Toch stond ik de volgende dag alweer over lekkere dweilen te zingen, alsof er niets aan de hand was. Ik had ook thuis kunnen blijven, maar dan had ik dubbel gebaald. Bovendien:  ik heb geen hoortoestellen nodig in al dat lawaai. Vandaar dat ze vrijdag in mijn tas zaten. Lekker veilig, voor mijn oren…

Afijn, na vijf dagen carnavallen was ik – zoals meestal rond die tijd – snipverkouden en een beetje verliefd, dus wezenlijk had het niet zoveel invloed. En waarschijnlijk valt het feestvieren minder schaailek uit dan ik dacht: volgens mijn audicien heb ik drie jaar geleden een vervangingsverzekering afgesloten (en daar in één keer voor betaald, vandaar dat ik het niet meer wist). Gelukkig!

Volgend jaar toch maar iets beter wegstoppen, die dingen…

Topprestatie

Sinds dinsdag ben ik weer officieel een Brabantse, en diezelfde dag kreeg ik van de audioloog te horen dat ik het eigenlijk buitengewoon goed hoor voor iemand die zo slechthorend is als ik. …Snapte’t?

Met hoortoestellen hoor ik het blijkbaar beter dan wat je, op basis van wat ik zonder toestellen kan horen, zou mogen verwachten. Hoe dat kan? Geen idee. Misschien moet ik mijn lichaam afstaan aan de wetenschap, zodat een paar bollebozen na mijn overlijden mijn hersenen in honderden plakjes kunnen snijden, op zoek naar het antwoord…

Maar goed, ik ging nu juist naar de audioloog omdat ik het de laatste tijd niet goed hoor. Ik laat mijn oren alleen testen als het echt nodig is – het is absoluut geen hobby van me – en dus had de audioloog weinig vergelijkingsmateriaal, maar het klopt dat mijn gehoor er de laatste jaren op achteruit gegaan is. Van 95% ‘woordverstaan in een stille omgeving’ naar 85%. (Al mag je die percentages gerust met een schep zout nemen, want ik ben dinsdag twee keer getest en de eerste keer kwam er 90% uit en de tweede keer 80%… Heul betrouwbaar dus.)

Met die 85% zit ik nu dus net op of onder een belangrijke gehoorgrens, maar nog wel boven de ‘lijn der verwachting’. En dat voelt heel dubbel. Aan de ene kant: het volgen van gesprekken kost meer moeite dan voorheen, en dat is best frustrerend. En tegelijkertijd zou ik me in mijn handen moeten wrijven met dat percentage, want het gaat nog steeds erg goed…

Het doet me denken aan de topsporters van 10, 20 jaar geleden. Gianni Romme kan ongetwijfeld nog steeds heel hard schaatsen, en Dennis Bergkamp zal nog altijd een goede voetballer zijn. Maar of zij dat ook zo ervaren?

Hoe dan ook: er is nu meer duidelijkheid, en met die 85% zal het ook wel lukken. Misschien niet in de Premier League, maar toch zeker ergens anders.