Drie jaar geleden kwam ik weer naar Nederland: een terugblik

Precies drie jaar geleden – op 31 januari 2016 – vloog ik weer naar Nederland, na tien maanden in Polen gewoond te hebben.

Hoe was het om terug te komen? En de (tot nu toe) beste tijd van mijn leven af te sluiten?

Ik heb januari nooit leuk gevonden, maar sinds 2016 heeft het einde van deze maand een extra rauw randje. Wéér een jaar verder verwijderd van al die primeurs. Wéér een jaar zonder “mijn” huisgenootjes. (Die ik af en toe nog zie, maar da’s niet hetzelfde.)

En weet je, ’t is goed zo. Ik ging weer naar Nederland omdat ik dat wou, en ik heb daar nooit spijt van gehad.

Ja, er waren (en zijn) gemengde gevoelens, en ik heb me weleens afgevraagd of het de juiste keuze was. Maar spijt… Dat niet.

En ik heb al helemaal geen spijt van mijn besluit om naar Polen te gaan. Serieus, ik steek nog liever mijn handen in het vuur dan dat ik die tijd uit mijn geheugen laat wissen.

Deze foto - van mijn onderarm - maakte ik terwijl ik op het vliegveld zat te wachten om weer naar Nederland te gaan.
31 januari 2016. Aan het wachten op het vliegtuig terug naar Nederland. Op mijn arm allerlei lieve/gekke woordjes en tekeningen, gekregen op het afscheidsfeestje die nacht.

Soms denk ik: “Ik had véél eerder naar Polen moeten gaan.” Vóórdat ik aan studeren begon, in plaats van erna.

Dan had ik mijn studietijd waarschijnlijk anders – en beter – ingevuld. Door bijvoorbeeld een studie te kiezen in de richting van communicatie, welzijn en/of maatschappelijk werk, met taalvakken in de keuzeruimte, in plaats van andersom.

Maar goed. Achteraf is het mooi wonen. 😉

Zo vind ik het achteraf gezien ook jammer dat ik in Polen niet kon bouwen op mijn huidige gevoel van eigenwaarde.

Ik zou het best nog eens over willen doen, om dan de tweede keer te starten met de dosis zelfvertrouwen die ik tijdens mijn EVS-periode opgedaan heb. (Dat had me toch een hoop vonken gegeven…)

Maar de EU heeft bepaald dat jongeren één keer zo’n project mogen doen. Dus ik heb mijn portie al gehad. Punt.

Ook al heet het nu geen EVS meer. Tegenwoordig moet ik “Europees vrijwilligerswerk” zeggen, of “Europese Vrijwilligersprojecten”. Andere naam, maar nog steeds hetzelfde feestje.

Mijn Facebook-update die dag. Mijn vliegtuig had vertraging en ik was ongelooflijk moe en melancholisch. Dan krijg je dit soort hartenkreten.

Ik heb er zóveel aan gehad. Qua… Wat niet, eigenlijk? Vriendschappen. Reizen. Kennis. Zelfkennis. Loopbaan. En ja, ook qua feestjes. Uitgaan.

Met name dat uitgaan mis ik, nu ik weer in Nederland woon, ver-schrik-ke-lijk.

En ook op mijn carrière valt wel wat aan te merken, nu ik – net zoals precies drie jaar geleden – zonder werk zit.

Maar het gekke is: als ik niet gegaan was, dan was ik nu nog verder van huis.

Erasmus+ schrijfwedstrijd

Nieuw land, nieuwe baan, nieuwe stad, nieuw (tijdelijk) onderkomen…

Redenen genoeg om hier nieuwe berichten te plaatsen, maar ‘veranderen’ en ‘schrijven’ is als water en vuur. Bar slechte combinatie.

Gelukkig heb ik wél de tijd gevonden om mee te doen aan de jaarlijkse Erasmus+ “Europeans Involved” schrijfwedstrijd. (Erasmus+ is het Europese subsidieprogramma dat onder andere EVS-projecten mogelijk maakt.)

Dit jaar heeft als onderwerp “My Special Person – Our Story”. Die keuze heeft mij een hoop tijd bespaard, want ik hoefde nog geen seconde na te denken om te weten wie mijn tijd als EVS-vrijwilliger het meest beïnvloed heeft…

Het resultaat is hier te lezen.

En daarna mogen jullie het verhaal natuurlijk best beoordelen met vijf sterren. Vind ik niet erg.

Hoge bergen, diepe dalen…

Een paar maanden geleden wist ik al dat januari intens zou worden – nogal wiedes – maar dat het zo heftig zou worden…

Alsof iets gedacht heeft: “Januari wordt sowieso een hectische maand, dus ik zal de boel eens goed opschudden. Laten we er iets onvergetelijks van maken.”

Dat deze maand ook in positieve zin onvergetelijk zou zijn, had ik al helemaal niet verwacht.

Op mijn werk heb ik een blogbericht geschreven waar ik heel trots op ben, met tien tips voor mensen die Nederland willen bezoeken.

En ik heb samen met een collega een reisje gemaakt dat ons – en een paar kinderen op het gimnazjum in Polkowice – nog lang zal bijblijven. (Laat ik het er voor nu maar op houden dat hij zich onsterfelijk gemaakt heeft als de “kiwiman”.)

Ook heb ik zelden zoveel lovende woorden gehoord, en zelden zo vaak en hard gelachen, als afgelopen weekend.

En ik wist niet dat twintigers zulke extreme sneeuwballengevechten kunnen houden. 😀

Ik begin trouwens bijna te denken dat de anderen blij zijn met mijn vertrek, aangezien één afscheidsfeestje niet genoeg blijkt te zijn. Komend weekend wordt er wéér eentje georganiseerd!

Waarmee ik niet wil zeggen dat het allemaal koek en ei is.

Ik zei toch dat ik een week van tevoren zou beginnen met huilen? Nou, maak daar gerust twee weken van.

Maar mijn kamergenootje heeft het nog veel moeilijker. Elke keer dat mijn vertrek ter sprake komt, op elk afscheidsfeestje, en op allerlei andere, volstrekt willekeurige momenten schiet ze vol – en tot overmaat van ramp heeft haar hond (in Macedonië) gisteren een spuitje gekregen.

Emotioneel gezien zit zij nu wel zo’n beetje op de bodem, en aangezien wij maanden geleden al met elkaar vergroeid zijn – waardoor we bijvoorbeeld tegelijkertijd aan hetzelfde nummer kunnen denken – kan ik dat letterlijk voelen.

Ik ken haar hond helemaal niet, en ik heb er zelf voor gekozen om terug te gaan naar Nederland, maar toch is haar pijn en haar verdriet volautomatisch ook een beetje van mij.

En ook (oud-)tante Dien is niet meer.

Een vrouw die nog avontuurlijker was ingesteld dan ikzelf – uniek in mijn familie – en die zoveel heeft ingezet om maar iets van de wereld te kunnen zien. Veel meer dan ik ooit zou willen of durven.

Ik hoef geen uiterst bescheiden leven te leiden en ik hoef met niemand te trouwen, zelfs niet met God. Ik kan gaan en staan waar ik wil, wanneer ik wil, met wie ik wil… en terugkomen kan ik ook.

Niet op tijd om bij haar begrafenis te zijn, maar toch.

Het kan, en daar kan ik – ondanks alle tegenstrijdige gevoelens – uiteindelijk maar beter ontzettend dankbaar voor zijn.

2016

De laatste dag van het jaar: de hoogste tijd voor goede voornemens!

Niet dat ik ze allemaal na zal leven – dat is me in 2015 ook niet gelukt – maar het kan geen kwaad om even achterom te kijken en vervolgens te bedenken hoe ik 2016 in wil vullen.

Deze keer neem ik mezelf niet voor om elke week iets op mijn weblog te plaatsen. Dat voornemen had ik vorig jaar, maar ik heb inmiddels gemerkt dat het leven zich daar niet altijd voor leent. (Het leven bleek zich trouwens, zodra ik in Wrocław terecht kwam, evenmin te lenen voor een Facebookloos bestaan… Dat heb ik slechts vier maanden volgehouden.)

Wel hoop ik komend jaar een professionele weblog op te starten, met teksten die minder privé zijn – en die beter aansluiten bij mijn werkveld – dan de doldwaze verhalen die ik hier publiceer.

Mijn EVS-project loopt over een maand af, dus ik ben al een tijdje op zoek naar een nieuwe baan en een nieuw onderkomen. Vooralsnog heeft die zoektocht nog niets concreets opgeleverd, dus ik weet wat mij in januari te doen staat.

Het plan is om in Breda te gaan wonen en werken, maar hoe langer ik zoek, hoe meer opties ik tegenkom, dus geen idee wat het uiteindelijk wordt.

Dit jaar heb ik nog minder zin in januari dan voorgaande jaren. Werk zoeken, keuzes maken, de onzekerheid die daarbij komt kijken, en uiteindelijk het onvermijdelijke afscheid van een periode waarin ik zielsgelukkig ben geweest.

En, hoe vaak ik mezelf ook voorhoud dat de mooiste dingen beginnen met verandering, dat afscheid gaat pijn doen. Hartstikke veel pijn. Het zou mij niets verbazen als ik een week van tevoren al begin met huilen. Niet non-stop, uiteraard, maar toch.

Gelukkig wordt het niet in alle opzichten een definitief afscheid.

Goed voornemen: in de lente van 2016 een bezoek brengen aan Wrocław, en later in het jaar aan Skopje (en nog later aan Italië, Turkije, Spanje…).

Ook wil ik een baan vinden waarin bepaalde aspecten van mijn huidige werk terugkomen, en in contact blijven met het EVS-wereldje. Hopelijk zet de stijgende lijn van 2015 zich dan door in het nieuwe jaar.

Ik wens jullie een gelukkig 2016!

Het Meisje met de Zijden String

“Waarom denken mannen toch altijd dat vrouwen het makkelijk hebben, als het op flirten aankomt?” vroeg Chiara.

We zaten in mijn slaapkamer, met zijn drietjes, en hadden – zoals wel vaker – een diepgaand gesprek over mannen, vrouwen en het spel der liefde.

“Bovendien,” zo sloot ze haar betoog af, “hebben we hier meer concurrentie dan in ons eigen land”.

Ik schreef al eerder dat de mannen hier soms ogen tekort komen, en dat ontgaat mijn vriendinnen natuurlijk niet. Om de één of andere reden zijn jonge vrouwen hier gemiddeld knapper dan in Nederland, Italië en Macedonië.

(Merkwaardig genoeg geldt dat alleen voor jonge vrouwen. Oudere Poolse vrouwen komen minder goed weg.)

“Dus, hoezo ‘makkelijk’?!”

We schudden eensgezind onze hoofden.

Om het onderwerp niet al te zeer in mineur af te sluiten, zei ik: “Daarom ga ik graag naar het zwembad of de sauna. Om even te kijken hoe echte vrouwen eruit zien, zonder Photoshop, flatterende kleding of twintig lagen make-up…”

“Ik heb gisteren in Aquapark het perfecte meisje gezien,” zei Chiara ineens, met een zweem van schaamte en jaloezie in haar stem.

“Prachtige billen – in een zijden string. Een zijden string! Lange benen, strakke taille, grote borsten – échte borsten, aan haar BH te zien – enzovoorts… Maar vooral die kont. Ze was gewoon perfect. En ik stond daar, en keek naar mezelf… ‘Nee’, dacht ik.”

Een zucht ging door de kamer. Helaas, zelfs in het zwembad bleef haar de perfectie niet bespaard.

Veranderen in een bloedmooie vrouw zal moeilijk gaan, dus moet ik roeien met de riemen die ik heb, en de boel zo goed mogelijk onderhouden.

Tot afgelopen maand ging ik regelmatig een eind hardlopen, maar nu het kwik nauwelijks nog boven de 8 graden uitkomt, wordt buiten sporten een regelrechte kwelling. Dus moest ik op zoek naar iets anders, en uiteindelijk besloot ik mezelf in te schrijven bij de Fitness Academy in de Sky Tower, het hoogste gebouw van Polen, op ongeveer 10 minuten lopen van waar ik woon.

(Overigens bevindt die sportschool zich “slechts” op de derde verdieping.)

Na twintig minuten op de loopband en tien minuten op drie verschillende martelwerktuigen, liep ik de dameskleedzaal in – en meteen zag ik ze.

Twee prachtig ronde vrouwenbillen, nauwelijks verhuld door een huidkleurige zijden string. Geen pukkel, deukje of andere oneffenheid te bekennen. Ze staarden me aan, hielden mijn blik vast, ook al deed het pijn.

Ik wilde niet kijken, maar ik móést wel. Want alles aan haar was mooi, volmaakt, om niet te zeggen ‘perfect’.

Na een tijdje lukte het me om mijn blik af te wenden.

Ik keek opzij, in de spiegel. Een afgepeigerd, vuurrood, imperfect hoofd keek terug.

‘Nee’, dacht ik.

Wendy in Oekraïne

Primeurs

Mijn 2015 zit boordevol primeurs.

Echt, ik kan geen enkel jaar bedenken waarin er méér veranderd is. En dat voelt goed, al is het soms ook hartstikke vermoeiend.

Een aanzienlijk deel van die primeurs vindt namelijk plaats na zonsondergang.

‘Een nacht overslaan’, bijvoorbeeld. Of wat te denken van deze: ‘Met zijn tweetjes twee flessen wijn wegtikken en dan nog gaan stappen’. Een fantastisch idee, niet?

‘In een damestoilet de haren van een kotsende vriendin uit haar gezicht houden.’ …Niet, dus.

Een stuk minder heftig: ‘om kwart voor negen ‘s avonds naar de supermarkt rennen om één Magnum te kopen’. Op zich niet zo vermoeiend, maar een uur later lag de verpakking in de prullenbak en stond ik op het punt naar een feestje te gaan. De Magnum, en mijn voornemen om die nacht op tijd te gaan slapen, waren spoorloos verdwenen.

Trouwens, de primeurs die overdag plaatsvinden kunnen evengoed slopend zijn.

De training in Oekraïne bijvoorbeeld. Na een paar dagen vol nieuwe indrukken zat ik er zodanig doorheen dat ik bijna een volle dag in bed bleef liggen.

En voor het eerst – wéér een primeur – Borjomi dronk: het Georgische bronwater dat zo gezond moet zijn dat het bijna overal tegen helpt.

(“Het is te laat voor Borjomi”, zeggen ze in Oekraïne, als iets echt niet meer te verhelpen valt. In mijn geval was het gelukkig niet te laat. Al zal de bedrust daar ook wel een steentje aan bijgedragen hebben.)

En dan zijn er nog de primeurs die zich niet in de buitenwereld afspelen.

Dingen die ik dit jaar voor het allereerst bedenk, leer of voel. Nieuwe inzichten. En geloof me: dat kan ook zwaar zijn.

Het schijnt dat je hersenen zich niet meer verder ontwikkelen na je vijfentwintigste levensjaar. Je kunt daarna nog een heleboel leren en onthouden, maar het ‘frame’ is klaar. Dat zou kunnen verklaren waarom die primeurs zoveel energie kosten, en dat ik soms – zelfs na lang nadenken – niet zeker weet waar en hoe ik ze plaatsen moet.

Wat ik wél zeker weet is dat ik er nog steeds geen spijt van heb dat ik aan dit avontuur begonnen ben.

Wat niet wil zeggen dat alle primeurs positief waren: ik ben bijvoorbeeld niet eerder zo vaak geconfronteerd met racisme en homofobie. Dat soort dingen maak ik hier ook mee, en ook die indrukken probeer ik een plek te geven. Al is het maar om te bedenken hoe ik er tegenin kan gaan.

Mijn beste primeur van 2015, tot nu toe, vond afgelopen week plaats, tijdens mijn EVS mid-term meeting in het middeleeuwse stadje Toruń.

De hele week stond in het teken van zelfreflectie, plannen smeden voor de toekomst, en andere serieuze en minder serieuze zaken. Maar bovenal was het een week van eenheid. Eenheid in mijzelf – puzzelstukjes die op hun plaats vielen – maar ook eenheid in de groep. Het gevoel één groep te vormen, zonder buitenbeentjes.

Al met al een ervaring om nooit te vergeten, en eentje die zich hopelijk – ook na 2015 – nog vaak herhaalt.

mid-term meeting Torun

Land nr. 18

Tot nu toe ben ik in zeventien landen geweest. Zeventien, waarvan acht voor het eerst in de afgelopen drie jaar. Kroatië is het laatste land op mijn lijstje, nummer 17. Toegevoegd in september 2014 – meer dan een jaar geleden… Noem me verwend, of verslaafd, maar ik vind dat te lang geleden. Dus toen ik een paar weken geleden de vraag kreeg of ik een cursus wou volgen over democratie, in Oekraïne(!), nam ik die mogelijkheid met beide handen aan. En vandaag is het zover!

Oekraïne wordt dus – compleet onverwacht – land nummer 18, maar in een aantal opzichten wordt het nummer 1. Het eerste land waar ik zonder paspoort niet binnenkom. (Voorheen had ik aan mijn Nederlandse identiteitskaart genoeg.) Het eerste land waar ik het schrift niet kan lezen. (De taal niet begrijpen, oké, maar niet kunnen lezen… Brrr.) En het eerste land waarbij ik het reisadvies van Buitenlandse Zaken toch maar even opgezocht heb. (Voor een paar provincies in het oosten van het land geldt een negatief reisadvies, maar wij gaan naar Chernivtsi, in het westen.)

Ik moet eerlijk bekennen dat een bezoek aan Oekraïne niet bepaald bovenaan mijn verlanglijstje stond. Vooral de lange en trage reis naar onze bestemming – 20 uur in een bus – staat me flink tegen. En al die uren leiden niet naar een zonovergoten vakantiebestemming, maar naar een cursus in herfstachtig, koud weer.

Toch heb ik er ook zin in. Om op reis te gaan met drie goede vrienden. Om nieuwe dingen te ontdekken. Andere mensen te leren kennen. En een nieuw land op mijn lijstje te zetten.

Wiktor

Er zitten drie kinderen in mijn hart. Minstens drie. Het kind in mijzelf mag natuurlijk niet vergeten worden, en sommige vrienden zullen voor mij altijd jong blijven, maar ik heb het nu niet over hen, of over mij. Ik heb het over twee Somalische zusjes, Suama en Siran, die ik in 2010 tijdens de vakantiedagen van Vluchtelingenwerk een paar dagen onder mijn hoede moest nemen, omdat hun moeder er niet bij kon zijn. Ik heb ze daarna nooit meer gezien, maar ik zal ze nooit vergeten. En ik heb het over Wiktor, die deze week bij hen is aangeschoven.

Deze zomervakantie ga ik minstens één keer per week naar een taalschool slash kinderopvang. Het schooltje ziet er fantastisch uit, en we krijgen er een lekkere lunch, maar onder de oppervlakte… Teveel kinderen, die slecht Engels spreken, en een eigenaresse die stiekem meer begaan is met de kas dan met de kids. Ook deze week had ik er niet veel zin in, al mocht ik mij eindelijk een keer als piraat uitdossen en had ik een legitieme reden om onder kantoortijd naar piratenverhalen te zoeken – dinsdag is ‘piratendag’!

In het begin viel hij me nauwelijks op. Ja, hij ging een paar keer flink tekeer en werd dan door één van de leidsters terechtgewezen, maar ik had geen zin en geen tijd om op hem te letten. Aan mijn ene arm hing een allerschattigst bengeltje van vier, onder mijn andere arm hield ik een haaienknuffel geklemd, en zo probeerde ik – als hekkensluiter – de groep van veertien kinderen enigzins bij te houden én bij elkaar te houden. (“Please follow the group! Walk in a line! In pairs, remember?”) Eigenlijk kwam het oponthoud dat Wiktor af en toe veroorzaakte mij wel goed uit, al zie ik dat nu pas.

Pas tegen het eind van de ochtend lukte het hem om mijn aandacht te trekken. We hadden toen al op de Oder gevaren in een rondvaartboot, een spel gespeeld op Wyspa Słodowa (Mouteiland), en de kinderen hadden net een boel Hollands getinte piratenverhalen aangehoord. Blijkbaar kon Wiktor het verhaal over de Vliegende Hollander wel waarderen, want ik kreeg na afloop een bloemetje van hem. Even later gaven de leidsters aan dat het tijd werd om te vertrekken – maar toen de groep eindelijk in het gareel stond, ontplofte Wiktor, voor de vijfde keer die dag.

Nu mag een kind van mij best ontploffen, maar niet als de groep – en ik – daardoor langer op ons eten moeten wachten. En dan dat bloemetje… Naar de leidsters wilde hij niet meer luisteren, dus besloot ik het erop te wagen. “Wil je misschien naast mij lopen?” Ik liep naar hem toe, sloeg een arm om hem heen, en samen liepen we terug naar de groep. Hij hield zijn armen nog steeds stijf over elkaar geslagen, en er rolden dikke tranen over zijn wangen, maar hij liep.

Ergens tussen Wyspa en Vega heeft Wiktor mijn hart gestolen. Vega is een vegetarisch restaurant in hartje centrum, waar de groep meestal luncht. (Het moge duidelijk zijn dat de papa’s en mama’s van deze kindjes het financieel dik voor mekaar hebben.) Onderweg naar Vega leerde ik Wiktor een beetje kennen. Voor zover dat gaat, als je elkaars taal nauwelijks spreekt… Hoewel… Ik had geen Pools nodig om te merken dat er, onder dat stoere uiterlijk, een leuk kind schuilging. Met twee eerlijke ogen die, zo mogelijk, nog mooier blauw zijn dan die van Alessandro.

Een moeilijk kind? Ongetwijfeld. Maar ook een vrolijke jongen, een grapjas, en een lieverd. Als de groep één rondje rent, rent hij er anderhalf. En als je zegt dat hij naar links moet, wil hij weten wat er rechts te zien is. Dat idee. Knap lastig voor groepsleiders en leraren, lijkt me, en bij andere kinderen maakt hij zich zo ook niet altijd populair, maar op zich… Niks mis mee, toch?

Tijdens het eten, en later die dag, kwamen er allerlei vragen in me op. Wat zouden zijn ouders van hem vinden? En de rest van zijn familie? Hoe doet hij het op school? Waar komen die uitbarstingen vandaan? En waarom krijgt hij steeds op zijn kop? Het zijn immers steeds dezelfde jochies die in de buurt zijn als Wiktor ontploft… Zou hij eigenlijk vriendjes hebben? Enzovoorts. Maar ook vragen als: zie ik iets over het hoofd, spant hij mij voor zijn karretje? Aan hem kon ik het niet vragen, en de leidsters hadden het al druk genoeg met de andere dertien kinderen. Ik kon alleen maar afgaan op mijn gevoel, en dat zei me dat Wiktor het niet slecht bedoelt.

Dus toen ik, tegen een uur of drie, de deur van de taalschool achter mij in het slot liet vallen, voelde dat niet als een intense opluchting, zoals gewoonlijk. In plaats daarvan voelde ik me verdrietig, bezorgd, en dankbaar.

Een plek onder de zon

Het plan voor ons bezoek aan de Trójmiasto (“drie-stad” – Gdańsk, Gdynia en Sopot) was verrukkelijk simpel. We zouden zo min mogelijk geld uitgeven, zoveel mogelijk kleur opdoen, elke dag naar het strand gaan, en na afloop zouden we Johnny ontvoeren. Niemand kan namelijk zo goed over mannen praten als hij. En luisteren, masseren en feesten kan ‘ie ook. Stuk voor stuk vaardigheden die Johnny tot een ideale huisgenoot maken, dus hij moest met ons mee. Dachten we… Eenmaal in Gdynia bleek de plek waar Johnny woont zoveel leuker en beter te zijn dan ons onderkomen, dat wij ontvoerd wilden worden.

Wij wonen in een klein, kaal appartement met drie slaapkamers, waar in totaal vijf bedden staan. Slechts één van de kamers heeft een balkon. Johnny woont samen met nog zeven andere vrijwilligers in een groot, sfeervol huis met een tuin. In totaal staan er twaalf bedden in het huis, verdeeld over twee verdiepingen, maar de slaapkamer van Johnny en zijn kamergenootje alleen al is groot genoeg om een feest voor dertig mensen te geven. En – lieve hemel – ze hebben genoeg tafels, stoelen en kasten! (Dat klinkt misschien heel vanzelfsprekend, maar wij smeken hier al maanden om één klaptafeltje…)

Er worden maar twee eisen gesteld aan het onderkomen van een EVS-vrijwilliger: het moet veilig zijn, en voorzien van een basisuitrusting. Mijn zendorganisatie bracht mij daarvan op de hoogte toen ik nog in Krakau zat, en benadrukte daarna nog even fijntjes dat de termen ‘veilig’ en ‘basisuitrusting’ voor discussie vatbaar zijn. Met andere woorden: iedere ontvangstorganisatie denkt daar anders over. “Maar als het je niet bevalt: je bent niet verplicht om je tijd daar uit te zitten. Hoeft niet.” Na die mededeling wist ik zeker dat ik op een plek terecht zou komen waar zelfs de meest doorgewinterde vagebonden zich niet zouden durven vertonen.

Gelukkig hoef ik me geen zorgen te maken over de veiligheid van dit appartement, en je zou kunnen zeggen dat we inderdaad over de basisbenodigdheden beschikken. We hebben weliswaar geen tafel en stoelen in de keuken, geen magnetron, en slechts drie bureaus en bureaustoelen voor vijf mensen, en de doucheslang is niet berekend op lange mensen die staand willen douchen, maar met een beetje creativiteit (en ochtendgymnastiek in de badkamer) komen we eigenlijk niets tekort.

Nou ja, misschien een huisgenoot zoals Johnny…