een klein schildpadje in de handpalm van een vrouw

Wat is mijn levenshouding? [25 vragen in 52 weken, deel 11]

We gaan weer eens lekker op de filosofische tour! Vandaag in de 25-vragen-in-52-weken-reeks: “Heb je je tot nu toe meer opgesteld als iemand die het leven overkomt, of als iemand die het leven zelf ontwerpt?”

In de 30 jaar dat ik besta, denk ik dat ik me vooral heb opgesteld als slachtoffer.

Vroeger kon ik nogal zwelgen in die B100-houding. (“Ze moeten altijd mij hebben!”) Ik ben jarenlang gepest, en (nog steeds) gehandicapt, en daardoor vond ik mezelf vaak bij voorbaat al mislukt. Op achterstand gezet. Niet de moeite waard. Waardoor het zinloos leek om anderen – en mezelf – het tegendeel te bewijzen… En voila, een vicieuze cirkel!

Maar toen las ik, als student, het prachtige boek ‘De Alchemist‘. Met daarin een paar zinnetjes die mij vol in het gezicht raakten.

Het is (helaas) niet zo dat ik sinds dat moment non-stop als schatzoeker door het leven ga. Dat er geen momenten meer zijn waarop ik alsnog in een passieve “ik-heb-ook-altijd-pech”-modus schiet.

Wel ben ik me sindsdien bewust van het verschil tussen die twee houdingen en neem ik mijn leven steeds meer in eigen hand. Al gaat dat niet altijd even snel of soepel als bij “de gemiddelde mens”. (Wie dat ook moge zijn.) En er zit – wat mij betreft – nog steeds een grens aan de maakbaarheid van het leven.

Maar goed. Zelfs een schildpad heeft volgens mij een leuker leven dan B100. 😉

En hoe zit dat bij jou? Is het leven iets dat jou overkomt, of dat jij ontwerpt?

Twee weken geleden: “Waar krijg ik energie van?”
En de volgende keer: “Heb ik tot nu toe vooral keuzes uit het hoofd of uit het hart gemaakt?”


Foto door Rodrigo Pereira op Unsplash

Deze blogpost bevat een affiliate link.

Ik ben een piraat

Mijn naam is Wendy en ik ben niet wie je denkt dat ik ben.

Ik ben een piraat.

Ik hou van de zee. Van vrijheid. Van de wereld achter de horizon. En daar weer voorbij.

Met spullen heb ik een vreemde relatie. Aan de ene kant heb ik er het liefst zo weinig mogelijk van. En tegelijkertijd ben ik erg gevoelig voor mooie en bijzondere dingen.

Ik trek graag mijn eigen plan. Maar als er toch een gezagvoerder nodig is, luister ik liever naar een kapitein die op basis van kennis en kunde is verkozen, dan naar iemand met slechts de juiste papieren. Of – nog erger – de juiste connecties.

Waar je vandaan komt, en waar je naartoe gaat, zegt mij weinig. Als in: ik vind het leuk als je mij daarover vertelt, maar ik hecht er niet veel waarde aan. Laat me liever zien wat je te bieden hebt.

Ik vertrouw je niet zomaar. Mezelf vertrouw ik trouwens ook niet altijd. (Ik ben een muts, zegt mijn vader, maar ik lijk op hem dus zo erg is dat niet.)

Ik ben een piraat die altijd naar huis terug zal keren. Met wortels diep in het zand.

En toch vaar ik onder meerdere vlaggen. Graag zelfs. Brabant, Nederland, Europa… Alles is thuis.

Ik ben een piraat.

En jij? Met welke (sprookjes)figuur / slechterik identificeer jij jezelf?

Kleuren kiezen: waar begin je?!

Je kent het waarschijnlijk wel. Je wilt één of meerdere kleuren kiezen voor een project, bijvoorbeeld een capsule wardrobe of een nieuw interieur. Omdat je (nog) meer wilt stralen, of omdat je op zoek bent naar meer eenheid en rust, of gewoon, omdat het kan.

En daarbij stuit je al snel op een gigantisch probleem.

Voor websites heb je de keuze uit maar liefst 16.777.216 verschillende HTML-kleuren, en “de echte wereld” is nog veel bonter. Dus waar begin je in godsnaam?

1. Laat je hart kleuren kiezen

Als er iets is dat ik in mijn blogpost over het wonderlijke effect van kleur meer had mogen benadrukken, is dit het wel.

Het allerbelangrijkste aan een nieuwe look is dat je er zelf achter staat. Als jouw keuze niet helemaal – of helemaal niet – in lijn is met wat een professionele kleuradviseur zou zeggen… Jammer dan. 🙂

Bij de keuze voor een nieuwe kleur, laat ik me altijd leiden door de kleuren (en/of materialen) waar ik blij van wordt. Waar mijn interesse naar uitgaat. Met die kleuren in het achterhoofd ga ik op onderzoek uit. En op basis van dat onderzoek maak ik uiteindelijk een keuze. Met het hart.

Mijn zoldertje heeft een ander kleurenschema dan mijn kledingkast. Volgens mij komt dat door mijn kinderkamer. Die was (knal)rood-geel-blauw. Andere kleuren associeer ik minder met “thuis”.

2. Gebruik wat je al hebt

Voor jouw kleurenproject kun je er natuurlijk voor kiezen om alles weg te doen en met een schone lei te beginnen. In sommige gevallen, zoals bij een verhuizing, kan dat best prettig zijn.

Maar het is ook mogelijk (en vaak een stuk duurzamer, goedkoper en makkelijker) om eens goed te kijken naar wat je al hebt.

Denk aan de kleuren die sowieso al in je huisje aanwezig zijn. De kleuren van de muren, de inbouwkasten, de kozijnen, noem het maar op. Zit daar misschien een kleur tussen waar je best méér van zou willen zien? Of waar de kleur(en) die jij in gedachten hebt goed bij zouden passen?

mijn keukentje
De keukenkasten op mijn zoldertje hebben donkergrijze fronten. Die kleur vind ik best mooi, en dus heb ik een donkergrijze bank gekocht toen ik hier kwam wonen.

3. Onderzoek welke kleuren goed staan

Als het goed is heb je nu een paar aanknopingspunten. Of -kleuren, om precies te zijn.

Voordat je beslist welke van die kleuren je uiteindelijk gaat gebruiken, kan het zeker geen kwaad om je eens te verdiepen in wat ze kunnen doen voor je project.

Laten we weer even mijn kledingkast induiken. Diepe, heldere kleuren staan mij veel beter dan pasteltinten. En een koele tint – pure-chocoladebruin bijvoorbeeld – doet meer voor mijn looks dan een warme tint – zoals reebruin. (Op de website van Lida Thiry kun je meer informatie vinden voor jouw garderobe-project.)

Ook het interieur kent veel van dat soort “regels”. Een donkere kleur maakt een ruimte kleiner. Met een raam op het noorden kies je maar beter voor een warme tint op de muur. Blauw doet het goed in de slaapkamer. Enzovoorts.

Je hoeft je er natuurlijk niet aan te houden – f*ck yeah – maar een beetje onderzoek zou zomaar eens het verschil kunnen maken tussen “mooi” en “fiet fieuw!”.

Voor welk project ben jij op kleurenjacht?

Over het wonderlijke effect van kleur

Ik weet nog precies wanneer ik voor het eerst ontdekte wat kleur met mij (en voor mij) kan doen.

Ik was net begonnen aan mijn studie en wou mijn oude, superonzekere zelf zo snel mogelijk upgraden naar een zelfverzekerde, aantrekkelijke versie. Van binnen én van buiten.

Voor de binnenkant zocht ik hulp bij de studentenpsychologen, en voor de buitenkant huurde ik een paar boeken bij de bibliotheek. (Want ons uiterlijk is “maar” oppervlakkig, dus kunnen we er relatief makkelijk zelf iets aan veranderen.)

Dankzij die boeken leerde ik dat veel van de kleren die ik droeg – in kleuren zoals beige en kaki – mij flets maken. Handig als je onzichtbaar wil zijn, maar niet als je zelfvertrouwen uit wil stralen.

Inmiddels zijn we zo’n tien jaar verder en ben ik nog steeds blij dat ik mijn kleurtype heb ontdekt. Als ik in een winkel ben, weet ik welke kleding ik sowieso niet hoef te passen (omdat de kleur of tint mij niet staat). En wat in mijn kast hangt, laat zich “verrassend” goed combineren.

De kleuren die in mijn kledingkast hangen.
Dit zijn de kleuren die nu mijn kledingkast overheersen. Groenblauw / petrol is mijn lievelingskleur. Wit – en dan niet gebroken wit maar echt wit – en zwart staan mij goed, en ik hou ook heel erg van jeans(stof). Deze stoere kleuren en materialen vul ik soms aan met wat roze.

Het effect van kleur wordt trouwens niet alleen bepaald door de omgeving – staat het of staat het niet? – maar ook door de psychologische eigenschappen.

Veel designers, organisaties en bedrijven weten allang dat kleuren betekenis hebben. Daarom zijn buttons vaak rood of oranje, en is blauw “verrassend” populair in logo’s.

Ik vind die combinatie van design en psychologie machtig interessant. En eerlijk gezegd ook een beetje eng. Maar dat de kracht van kleuren misbruikt kan worden, betekent niet dat wij die kracht niet mogen gebruiken. Toch?

En dat geldt niet alleen voor je garderobe, maar ook voor je interieur, je website, enzovoorts. Eigenlijk overal waar je (al dan niet bewust) een boodschap overbrengt.

Later meer over het verrichten van wonderen met behulp van kleur. 🙂

Hoe kleurbewust ben jij?

mooie zonsondergang in Breda

Waar krijg ik energie van? [25 vragen in 52 weken, deel 10]

Vandaag deel 10 van de 25-in-52-serie. (Wow, we zijn al bijna op de helft!) Met het antwoord op de vraag “Waar krijg ik energie van?”.

Om het een beetje interessant te houden, laat ik eten, drinken en slapen even buiten beschouwing. Hoewel ik daar natuurlijk ook energie van krijg. Maar wie niet?

Dus, waar krijg ik nog méér energie van?

  • Dansen! Met stip op 1. Van kletsen in een kroeg raak ik snel uitgeput, maar zet mij op de dansvloer en ik hou het tot twee uur ’s nachts vol. Minstens.
  • Sporten! Al is de energie vlak na een sportsessie soms heul ver te zoeken.
  • Reizen! Inclusief dagjes uit. Dat kost ook een boel energie, maar inclusief voor- en napret levert het toch een positief energiesaldo op.
  • Fröbelen! Daarmee bedoel ik schrijven, foto’s bewerken, een cadeautje in elkaar draaien, verven, een nieuw logo maken voor mijn weblog… (Al gezien?) Kortom, knutselen voor volwassenen, eigenlijk.
  • Roddelen! Schandalig, ik weet het. Maar ik kan er – mits het een beetje vriendelijk blijft – zó van genieten.
  • Alleen zijn! Ik hou van gezelligheid, maar ik heb ook een flinke dosis me-time nodig om mijn energieniveau op pijl te houden. (#introvert)
  • Verliefd zijn! Is niet eindeloos vol te houden – godzijdank – maar die fase waarin je als een Duracell-konijntje ALLES aankunt… Of denkt te kunnen… Heerlijk.
  • Knuffelen! De ene knuffel is de andere niet, maar soms levert het een berg energie op.
  • Lichaamsverzorging! Dus toch eten, drinken, slapen. Maar ook een behandeling bij de pedicure, of een maskertje, of een dagje sauna, of, nou ja, enzovoorts.
  • Complimentjes! Mondeling, op een kaartje of hier, op mijn blog.
  • De zon! Als ‘ie schijnt vind ik het leven echt een stuk makkelijker.

En jij? Waar krijg jij energie van?

Vorige week: “Waarmee ben ik onlangs gestopt?”
En de volgende keer: “Wat is mijn houding ten opzichte van het leven?”

Wendy bezoekt de FoodHall in Breda

Breda heeft er sinds vorige maand een culinaire hotspot bij. De FoodHall belooft haar gasten alle wereldkeukens onder één dak. Vandaag ging ik er een kijkje nemen, en iets eten natuurlijk!

De ingang valt een beetje tegen. Bij een “food hall” (eetzaal / kantine) verwacht ik geen luxe entree, maar dit is wel erg kil.

Al vind ik die azuurblauwe tegeltjes wel mooi.

De ingang van FoodHall Breda
De ingang van de FoodHall, aan de Reigerstraat.
FoodHall Breda
De “echte” ingang, voorbij het binnenpleintje.

De binnenkant ziet er gelukkig beter uit. Om de één of andere reden zijn de foto’s die ik binnen gemaakt heb allemaal mislukt, dus kijk even op de website van de FoodHall als je nieuwsgierig bent.

In principe kan ik kiezen uit 18 verschillende keukens, maar vandaag (dinsdagmiddag, 12u30) zijn er een paar keukens onbemand. Niet erg, want nog steeds keuze genoeg. Al vraag ik me wel af of je met 18 keukens echt alle wereldkeukens onder één dak hebt.

Uiteindelijk ga ik voor de vegetarische “vermicelli bowl” van Viet Mi, voor €6,50. Best lekker, maar niet zó lekker dat ik het gegarandeerd nog eens ga bestellen.

En ik vind die wegwerpbordjes, -bakjes, -stokjes en -vorkjes zo… Karig. Sfeerloos. Zonde.

Als je in Breda bij een foodhall wilt eten, dan is de FoodHall een prima plek. En laten we niet vergeten dat ik maar één van de 18 “kraampjes” heb uitgeprobeerd, dus wie weet zit er tussen die andere keukens wel een verborgen parel!

Maar voor nu denk ik dat je, als je in Breda bent en lekker wilt tafelen, beter ergens anders kunt gaan eten. Bijvoorbeeld bij De Pastakantine, JanenAlleman of bij Sunshine Lunch & Lounge.

En wie een keer in Nederland een foodhall wil ervaren, zou ik aanraden om naar Down Town in Eindhoven te gaan, of naar de Markthal in Rotterdam.

(En neen, ik word niet betaald voor deze link love.)

Hou jij van foodhallen? Of vind je ze (meestal) dertien-in-een-dozijn?

een verliefd stel zit op een bankje aan het water

Waarmee ben ik onlangs gestopt? [25 vragen in 52 weken, deel 9]

Volgens de random number generator van Google is het, in de 25-in-52-reeks, vandaag tijd voor vraag 6. “Wat was de laatste keer dat ik ergens mee ben gestopt? Wat was de reden? Heb ik dat vaker?”

Ik ben onlangs gestopt met daten. Niet voor altijd, is het plan, maar wel tot nader order. (Wie die order geeft? Ikzelf natuurlijk.)

Rond de jaarwisseling zat de vaart er behoorlijk in – en deelde ik zelfs wat tips met jullie – maar een maand of twee geleden was ik er ineens helemaal klaar mee.

Ik denk dat ik me veuls te onzeker begon te voelen. Dapper of niet, daten blijft natuurlijk su-per-spannend. En nu kwam die onzekerheid bovenop mijn zoektocht naar werk, de onzekerheid van net therapie-vrij zijn, plus de onzekerheden waar ik – net zoals veel andere jonge vrouwen – standaard mee worstel.

Van die factoren laat de zoektocht naar romantiek zich het makkelijkst op de lange baan schuiven.

Althans, voor een tijdje. De klok tikt namelijk vrolijk door. Steeds meer leeftijdsgenootjes wonen samen, zijn getrouwd en/of hebben kinderen. En daar ben ik me heel bewust van. Tik, tak, tik, tak.

Dus binnenkort ga ik mij er toch maar weer eens aan wagen.

Misschien is het verschil tussen een romantische vakantieliefde en een serieuze date straks ook minder groot dan in de winter. (Ik weet het, je moet die twee eigenlijk niet met elkaar vergelijken. Maar ik ben een onverbeterlijke romanticus.)

Volgende week: “Waar krijg ik energie van?”
En de vorige keer: “Waar kreeg ik vaak straf voor?”

Lees ook: “Lekker vrijgezel: hoe vier je (bijna) alle dagen Singles’ Day?”


Afbeelding: “A Summer romance” van Nick Kenrick, licentie CC BY-NC-SA 2.0

Mijn productiviteitssysteem: top of flop?

Sinds ik op mezelf woon, heb ik al diverse time-management- / productiviteitssystemen uitgeprobeerd. Want mijn innerlijke productiviteitssysteem hapert een beetje veel.

De eerste poging begon met de aanschaf van “Getting Things Done”. Een klassieker. Ik probeerde het systeem een tijdje uit, maar vond de administratieve rompslomp te groot. De tweeminutenregel bleef ik wél toepassen. Af en toe. En ook de lijst met ‘Ooit/Misschien’ – een ander onderdeel van GTD – gebruik ik nog steeds.

Later ontdekte ik de bullet-journal-methode. Ik kocht twee notitieboeken van Leuchtturm, met stippeltjes. Eentje voor thuis (in A5-formaat) en een kleiner boekje voor op kantoor.

Dat kleine boekje was een groot succes. Ik hield er elke dag mijn to-do-lijstje in bij – niet meer en niet minder – waardoor ik een stuk productiever te werk ging.

Daarbij deed de titel – “werkjournaal” – me aan een scheepsjournaal denken. Zeg nou zelf, daar krijg je toch energie van?! 😀

Onderdelen van mijn (vorige) productiviteitssysteem: de Passion Planner, twee bullet journals en het boek Getting Things Done
Diverse productiviteitssystemen. Allemaal uitgeprobeerd. Niet allemaal even succesvol.

Mijn bullet journal voor thuis belandde echter al snel in de kast, om er af en toe eventjes uit te komen voor wéér een poging om het “journallen” nieuw leven in te blazen. (De journals van sommige collega-bloggers, zoals die van Ilona en Irene, zijn te mooi om niet na te willen apen.)

Maar om mijn leven in goede banen te leiden, en te houden, werkt de website/app Trello eigenlijk beter. Aangevuld met ideeën uit de Passion Planner, kanban, YouTube-video’s van Marie Forleo en “The Subtle Art of Not Giving a F*ck“. Plus wat overblijfselen uit het GTD- en bullet-journal-tijdperk.

Mijn huidige “systeem” lijkt dus op een bijeengeraapt zootje. En ik ben er best tevreden over, al heb ik er soms wel vraagtekens bij.

Naast alle productiviteitsgoeroes die roepen dat hun methode DE methode is – en dus de vraag: ‘Kan mijn eigenhandig in elkaar geknutselde systeem überhaupt wel werken?’ – vraag ik mij ook af of ik bepaalde hardnekkige errors ooit uit het systeem krijg.

Gisteren kwam ik er bijvoorbeeld in de winkel achter dat ik mijn pinpas was vergeten. Die, eenmaal thuis, gewoon in mijn portemonnee bleek te zitten. Tussen het muntgeld. Juist ja.

Op zulke momenten voel ik mezelf allesbehalve productief. En ik heb nog niet ontdekt hoe ik dit soort foutjes uit het systeem krijg… of uit mijzelf.

Heb jij een (persoonlijk) productiviteitssysteem? En werkt dat goed?

een trappenhuis met meerdere verdiepingen

Hoe toegankelijk is jouw website? (+ 3 tips!)

Is jouw website toegankelijk voor mensen met een beperking? Voor blinden en slechtzienden, bijvoorbeeld? Of weet je dat niet?

Ik weet zeker dat mijn blog niet “100% toegankelijk” is, maar ik doe mijn best om dat percentage steeds verder op te krikken. Hoe? Nou, bijvoorbeeld door hierop te letten:

1. Kies voor contrasterende kleuren

Zorg ervoor dat het contrast tussen tekst en achtergrond groot genoeg is. Dat geldt natuurlijk voor de standaard tekst- & achtergrondkleur van je website, maar vergeet de kleur van je links niet, en de kleuren die je gebruikt voor tekstvakken en eventuele (menu-)balken.

Niet alleen slechtzienden maak je daar blij mee, maar ook mensen met bepaalde vormen van kleurenblindheid.

Hoe bereken je de contrastverhouding tussen twee HTML-kleuren? Met een contrast-tool, zoals de Luminosity Colour Contrast Ratio Analyser.

Volgens de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG) is een contrastverhouding van tenminste 4,5:1 toegankelijk genoeg voor normale tekst, en een verhouding van minstens 3:1 voor grote tekst.

Om een voorbeeld te geven: mijn menubalk had tot gisteren deze kleur (#01A9A9), met een witte tekst (#fff) eroverheen. De contrastverhouding van deze combinatie is blijkbaar te laag (2,9:1). Daarom heb ik de menubalk iets donkerder gemaakt.

Een goed contrast is belangrijk, maar overdrijf niet. Een extreem hoge contrastverhouding – tussen puur zwart en wit bijvoorbeeld – leest voor veel mensen ook niet prettig.

2. Gebruik beschrijvende links

Er bestaat software die snel alle links in een tekst verzamelt. Dat is een handig hulpmiddel als je niet met je ogen een tekst kunt scannen. Maar van een link zoals “deze website” of “klik hier” word je dan natuurlijk niet veel wijzer.

Probeer daarom altijd linkteksten te schrijven die beschrijvend zijn, oftewel die vertellen waar de link naartoe leidt.

Dus niet “ik vind deze website heel informatief”, maar “ik vind deze website over toegankelijkheid heel informatief”.

Over wat een beschrijvende link is (en wat niet) bestaat geen regel. Het beste wat je kunt doen, is jezelf bij elke link die je plaatst de vraag stellen: “Begrijp ik – zonder de context eromheen (tekst en/of afbeeldingen) – waar deze link heen leidt?”

Dat is trouwens niet alleen fijn voor blinden en slechtzienden. Ook Google hecht meer waarde aan beschrijvende links. Twee vliegen in één klap dus!

3. Gebruik (de juiste) kopjes

Nog eentje waarmee zowel de toegankelijkheid van je website als je “Google-ranking” vooruitgaat: het gebruik van duidelijke, beschrijvende kopjes.

Voor mensen die langzamer lezen, of die een beperkt kortetermijngeheugen hebben, is het fijn als de koppen in een tekst wat houvast bieden. En net zoals er software bestaat die de links uit een tekst filtert, bestaat er ook (voorlees)software die een lijst met koppen kan samenstellen. Om het navigeren makkelijker te maken.

Maarrrrr dan moeten die koppen wel beschrijvend zijn, en qua opbouw kloppen. Dus één H1-kop bovenaan de tekst, H2-koppen die de tekst in paragrafen verdelen, en H3-koppen (en verder) voor eventuele subparagrafen.

De kopjes van deze blogpost zien er bijvoorbeeld zo uit:

  • [H1] Hoe toegankelijk is jouw website? (+ 3 tips)
    • [H2] Tip 1: kies voor contrasterende kleuren
    • [H2] Tip 2: gebruik beschrijvende links
    • [H2] Tip 3: gebruik (de juiste) kopjes
    • [H2] Meer weten over toegankelijkheid?

Als er onder een H2 veel informatie zou staan, dan gebruik ik H3-kopjes om de tekst verder op te delen. Maar in dit artikel is dat niet nodig.

Meer weten over toegankelijkheid?

Deze drie tips vormen nog maar het topje van de ijsberg. En ik weet er wel iets vanaf, maar ik ben zeker geen expert.

De Nederlandse overheid heeft een website – www.digitoegankelijk.nl – waarop helder wordt uitgelegd aan welke toegankelijkheidseisen overheidswebsites en -apps moeten (gaan) voldoen. Die eisen gelden waarschijnlijk niet voor jouw website, maar je mag de informatie natuurlijk wel gewoon gebruiken. Een betere wereld begint bij jezelf!

Benieuwd hoe je website nu scoort? Via WebAIMWebsite Accessibility in Mind – kun je gratis de toegankelijkheid van je website checken (één pagina per keer). Deze check kijkt vooral naar de structuur en de opmaak van je website. WebAIM controleert niet of je links beschrijvend zijn, of je video’s ondertiteling bevatten, enzovoorts.

En WordPress biedt een aantal thema’s die “accessibility ready” zijn. Als je zo’n thema gebruikt, is de structuur van je website in elk geval toegankelijk. Voor de inhoud ben je natuurlijk zelf verantwoordelijk.

Dus. Hoe toegankelijk is jouw website?

P.S.: Als jij je vlogs of podcasts van ondertiteling voorziet, dan stuur ik nu wat instant liefde jouw kant op. <3

P.P.S.: Tips voor de verbetering van mijn website? Laat het me weten!


Foto: “Stairs” van Guillaume Laurent, licentie CC BY-NC-SA 2.0

Waar kreeg ik vaak straf voor? [25 vragen in 52 weken, deel 8]

April zit er bijna op, dus hoog tijd voor de volgende vraag uit de 25-in-52-reeks. Deze keer: ‘Welk gedrag werd vaak “afgestraft” toen je een kind was (bijvoorbeeld in de klas, of in je gezin)? Welk talent zit daarachter verscholen?’

Poehee.

Sowieso was “de klas” voor mij veel onveiliger dan “het gezin”. Ik kreeg zelden straf van docenten – daar was ik veuls te braaf voor – maar ik ben ruim tien jaar gepest door klasgenootjes. Op de basisschool en de middelbare school.

Ik weet niet in hoeverre ik daar zelf schuld aan had. Laat staan welk talent daarachter verscholen zou zitten.

Misschien een talent in opvallen? In niet met de popiejopies meelopen? Of een talent in doen alsof er niets aan de hand is?

Dat laatste is absoluut waar. Maar of ik daar nou zo blij mee ben..?

Een foto van mijzelf als klein meisje, gemaakt door een fotograaf. Ik heb een matrozenpakje aan en balonnetjes in mijn haar.
Een tikje ondeugend ben ik wel. Altijd al geweest. 😉

Als ik thuis iets verkeerd deed, dan had dat volgens mij meestal te maken met niet (willen) luisteren, of met mijn verstrooide / rommelkonterige / zelden-ergens-op-tijd-aan-beginnende ik.

Om met het eerste te starten: het is niet zo dat “brutaliteit” een karaktertrek van mij is. Integendeel. Maar mijn ouders vinden het belangrijk dat (hun) kinderen braaf zijn, en dat hebben ze duidelijk doorgegeven. Zowel in mijn opvoeding, als in dat ik mij inmiddels ook groen en geel erger aan onbeschofte koters.

Al vraag ik me wel af wat braafheid nou eigenlijk oplevert, onder de streep. Ik bedoel, het maakt beschaafder, maar ook gedweeër. Tammer. En een makkelijk slachtoffer voor pestkoppen. “Good girls go to heaven, bad girls go everywhere.” Dat idee.

Ik - twee jaar oud - zit op een bank, met mijn kersverse broertje op schoot.
“O wee als je mijn broertje afpakt!” De rol van Grote Zus had ik al snel onder de knie.

Maar goed. Gehoorzaamheid ging me nog best makkelijk af. Ik denk dat ons pa en ma meer afzagen – en nog steeds weleens afzien – met Wendy de Vergeetachtige. De Sloddervos. De Sogger.

Inmiddels weten we, door schade en schande, dat die trekjes deel uitmaken van wie ik ben. En gelukkig schuilt er een talent achter (‘slim’, ‘creatief’, ‘fantasierijk’).

Bovendien heb ik dankzij mijn ouders wel geleerd dat het goed is om de boel opgeruimd te houden, en niets te vergeten voor ik ergens wegga. Maar soms moet ik gewoon halsoverkop terugrennen naar een café, omdat ik mijn tas daar heb laten hangen.

Volgende week: “Waarmee ben ik onlangs gestopt?”
En drie weken geleden: “Op wie ben ik jaloers?”