Wat is mijn grootste valkuil? [25 vragen in 52 weken, deel 4]

Vandaag, in de ’25 vragen’-serie, het antwoord op de vraag “Wat is mijn grootste valkuil?”.

Wéér geen leuke vraag om te beantwoorden. Maar als het lot vindt dat ik het deze keer over mijn “favoriete” valkuil moet hebben… Dan bewaren we de lekkere dingen gewoon voor later. 🙂

En eigenlijk sluit het best mooi aan op de vraag wat me boos of verdrietig maakt.

Want toen had ik het al even over mijn “allergieën”. Eigenschappen (van andere mensen) die mij flink irriteren.

Het tegenovergestelde van die allergieën zijn mijn zogeheten kernkwaliteiten. En mijn valkuilen zijn dan weer het “teveel” van die kwaliteiten.

Elk nadeel heb dus echt z’n voordeel. En andersom.

(Benieuwd hoe dit systeem werkt? Op de website van Carrièretijger vind je meer informatie over kernkwadranten. Naast je kwaliteiten, valkuilen en allergieën kun je daarmee ook inzicht krijgen in je persoonlijke uitdagingen.)

Een tabel met vier vakken. Rechtsboven mijn grootste valkuil: teveel nadenken. Daarnaast mijn kernkwaliteit: goed kunnen nadenken. In de onderste twee vakken de bijbehorende uitdaging (minder nadenken en meer doen / voelen / praktisch handelen) en allergie (dingen doen of zeggen zonder daarbij na te denken).
Mijn grootste valkuil (teveel nadenken) is het “teveel” van een kernkwaliteit. Bij die valkuil hoort ook een uitdaging (meer voelen & handelen) en een allergie (hersenloos, onverantwoord gedrag). Alle rechten voorbehouden.

Die pientere bovenkamer van mij is dus zowel een zegen als een vloek.

Verstrooide professor? Check! Te lang en te veel over dingen nadenken? Check! Meer met het verleden en de toekomst bezig zijn, dan met het (praktische) hier en nu? Dubbel check!

Afijn. Het is natuurlijk handig om je valkuilen te kennen. Maar het is nóg handiger als je die weet te omzeilen.

Door middel van meditatie-oefeningen probeer ik me meer bewust te worden van dat vele nadenken. Met de nadruk op “probeer“, want het valt nog niet mee. Mijn verstand is namelijk zó gewend om het woord te voeren, dat zij (zij? hij? het?) het ronduit gruwelijk vindt om ineens in de gaten gehouden te worden.

Met als gevolg dat ik mezelf al snel voor gek verklaar – “Mens, doe normaal!” – maar ook dat is een gedachte. Een oordeel van mijn verstand.

En zo leer ik haar verraderlijke trucjes steeds beter kennen. Maar of die valkuil al iets kleiner wordt… Dat weet ik niet.

Wat is jouw grootste valkuil? En hoe ga je daarmee om?

De volgende keer: “Waar ben ik het meest trots op?”
En twee weken geleden: “Wat maakt me boos of verdrietig?”

een close-up van een kom met golden milk oatmeal. Met een beetje kaneel erover.

Golden milk (en een recept voor golden oatmeal)

Op Bedrock kwam ik een week geleden een blogpost tegen over golden milk, ofwel tumeric latte. Een warme, gezonde en vooral hippe drank met een goudgele kleur. (Vandaar de naam natuurlijk.)

Toen ik het recept voor golden milk las, moest ik nog net niet hardop lachen. Die specerijen doe ik al maandenlang door mijn havermout!

Toevallig doen wat hip is, zonder hip te willen zijn. Hebben meer mensen daar last van?

Hoe dan ook, een hele tijd terug las ik in een Yoga Magazine (vraag me niet welke editie) een interview met iemand die ’s ochtends een kom warme havermout at. Met kurkuma, kaneel, kardemom en gemberpoeder erdoor.

Havermoutpap met kaneel en banaan was toen mijn “standaard” ontbijt in de herfst en winter. Kardemom en gemberpoeder had ik al in huis. Dus hoefde ik alleen nog maar kurkuma te kopen. (In het interview stond dat kurkuma goed is voor je gewrichten, en die gewrichten van mij kunnen wel wat extra liefde gebruiken.)

En zo veranderde mijn brave ontbijtje achteloos in een exotisch golden milk ontbijt. Met een “verkeerde” verhouding van specerijen natuurlijk, maar goed, ik wist niet waar ik mee bezig was. (#StoryOfMyLife)

Ik gebruik trouwens gewone (volle) melk voor mijn ontbijt. In veel recepten voor golden milk wordt een “plantaardige drank” zoals amandelmelk voorgeschreven, maar ik zie niet in waarom het niet met echte melk zou kunnen.

Tenzij je geen lactose kunt verdragen natuurlijk. Of geen dierlijke producten nuttigt. Of gewoon belachelijk hip wilt zijn.

(Puur uit nieuwsgierigheid heb ik toch een pak amandelmelk gekocht. Het duurde een eeuwigheid voordat ik een variant had gevonden waar geen suiker aan toegevoegd was, en zo min mogelijk andere ingrediënten. Plantaardige melk is dus niet per se gezonder dan echte melk, en ik vond het – eerlijk gezegd – ook niet lekkerder.)

Hieronder mijn recept voor golden milk havermout. Ik doe er standaard een halve banaan door en verder niets, maar voel je vrij om er jouw eigen favoriete ontbijt van te maken. Dat geeft pas écht goud in de mond. 😉

Recept: Wendy’s golden milk oatmeal

Ingrediënten

  • (plantaardige) melk: 250 ml bij bereiding in magnetron / 300-350 ml op een kookplaat
  • 6 eetlepels havermout
  • 1 theelepel kurkuma
  • 1/2 theelepel kaneel
  • 1/4 theelepel kardemom
  • 1/4 theelepel gemberpoeder

Extra’s:

  • banaan
  • honing (of andere zoetstof)
  • snufje zout
  • mespuntje (chili)peper

Bereiding

MAGNETRON: Doe de havermout, (plantaardige) melk en specerijen in een kom en zet 3,5 minuut in de magnetron op 350 watt. Daarna verder op smaak brengen.

KOOKPLAAT: Breng de (plantaardige) melk in een pannetje aan de kook en doe er al roerende de havermout en specerijen bij. Draai het vuur laag en laat een kwartiertje zachtjes pruttelen. Havermout in een kom doen en verder op smaak brengen.

Eet smakelijk! Laat je me weten wat je ervan vond?

een foto die ik nam vanuit een treintje op de MerwedeLingelijn.

MerwedeLinge-pijn

Over de MerwedeLingelijn – tussen Dordrecht en Geldermalsen – rijden nog precies dezelfde rood-witte treintjes als een jaar geleden.

De stoelen staan nog steeds net iets te dicht op elkaar, en die subtiele rokerslucht is ook niet verdwenen. Het enige opvallende verschil is dat de treindienst nu niet meer van Arriva is, maar van Qbuzz.

Hoe moet je dat eigenlijk uitspreken? Kubus? Kjoebas? Kwibus? Ik hoop dat laatste.

Maar goed. Voor de buitenwereld is er op een paar jaar tijd nauwelijks iets veranderd aan deze spoorlijn.

Voor mij is de MerwedeLingelijn het spoor naar P.

P, die op station Gorinchem stond te wachten, terwijl ik ongeduldig in de trein zat en wenste dat de Spurt waar ik in zat zijn naam eer aan zou doen. (Waarom heeft Hardinxveld-Giessendam in godsnaam drie stations nodig?!)

Het station van Gorinchem, aan de MerwedeLingelijn.

Toen P zei dat ‘ie van mij hield, geloofde ik dat. Ik had niet de neiging om die mededeling weg te lachen, of keihard te gaan gillen. Nee, het was oké. Voor de allereerste keer in mijn leven was het oké.

Ook al wist ik dat er iets niet klopte.

Ik wist zeker dat hij het meende, maar ik wist óók zeker dat hij (zwaar) depressief was. En ik wist dat je eerst van jezelf moet houden, voordat iemand anders van je kan houden.

Die drie dingen kreeg ik niet met elkaar gerijmd. “Hoe kan het dat ik iemand leuk vind die zichzelf niet leuk vindt?”

Pas maanden later, toen we er al lang een punt achter gezet hadden, vond ik het antwoord op die vraag. Althans, ik denk dat ik het gevonden heb.

Ik denk dat ik van P begon te houden omdat ik niet van mezelf hield.

Min keer min is plus.

Voor een relatie is dat natuurlijk geen gezonde uitgangspositie, en we zijn dan ook maar eventjes samen geweest.

Maar in die korte tijd, en in de periode daarna, slingerde ik zo hard heen en weer tussen hoop en wanhoop dat ik uiteindelijk geen reserves meer over had. En mijn eigen realiteit wel onder ogen moest zien.

Voor mij is de MerwedeLingelijn dus helemaal niet van kwibus, maar van P.

Niet dat ik hem mis, of dat ik hem terug wil.

Maar elke keer als ik in de buurt van zijn woonplaats kom, hoop ik vanuit de grond van mijn hart dat het ook met hem wat beter gaat. Al vrees ik van niet.

Je afvragen hoe het met je ex gaat, kan al best lastig zijn. Je serieus afvragen of hij nog leeft… Da’s een ander level.

Ceci n’est pas ma vie

Ik heb logische wensen, en onlogische wensen.

Logische wens: een leuke baan vinden. Een wereldreis maken. Eindelijk het volgende seizoen van Peaky Blinders kunnen bekijken. Dat soort zaken.

Onlogische wens: een paar Louboutins hebben.

Waarom is dat onlogisch? Omdat ik helemaal niet kan lopen op naaldhakken. Of graag tien centimeter bij mijn huidige lengte op zou willen tellen. (Op hakken van zeven centimeter voel ik me al reusachtig groot.)

Een tekening van een pump, de Pigalle Follies Patent van Louboutin. Daaronder de woorden "ceci n'est pas un escarpin".
“Ceci n’est pas un escarpin”: dit is geen pump. Het is een tekening van een pump, die te duur is om in mijn kast te hebben staan. Alle rechten voorbehouden.

Daarbij draag ik überhaupt geen dure merken, tenzij het tweedehands is, of een duurzaam / fairtrade merk. En zelfs dan zit er een bovengrens aan wat het mag kosten. (De tassen van Matt & Nat vind ik bijvoorbeeld nog best oké geprijsd, maar ik kan me niet voorstellen dat ik ooit het dubbele zou neertellen. Voor een tas.)

Dus is het op z’n zachtst gezegd onlogisch dat ik al jarenlang een paar véél te hoge, véél te dure, véél te wiebelige naaldhakken wil hebben.

…Misschien doet die vuurrode zool een beroep op mijn oerbrein?

Hoe dan ook, ik fantaseer graag over het leven dat ik zou leiden met Louboutins in m’n kast. Of beter gezegd: in mijn inloopkast. In mijn superdeluxe penthouse. In het centrum van Parijs.

Natuurlijk zou ik ze dan ook af en toe dragen. Want de taxi stopt toch voor mijn deur. En zowel mijn man als mijn minnaar zijn er dol op. 😉

Ach ja. “Ceci n’est pas ma vie.” Dit is mijn leven niet.

Wat maakt me boos of verdrietig? [25 vragen in 52 weken, deel 3]

De eerste maand van het jaar 2019 zit erop! Hoog tijd voor weer één van de 25 vragen die ik dit jaar ga beantwoorden. Deze keer vraag 12: “Wat maakt me boos? Verdrietig? Gefrustreerd?”

Hm. Lastig. Ik ben namelijk niet zo vaak uit mijn hum. (Opgewekt en veerkrachtig, weet je nog?)

En als ik wél uit mijn hum ben, laat ik dat niet snel merken. Meestal probeer ik het voor mijzelf te houden. In te slikken. En als dat niet gaat, als ik echt stoom af moet blazen, dan doe ik dat eigenlijk alleen bij mensen die ik vertrouw.

(Op zulke momenten is het ongetwijfeld fantastisch om een vriend of familie van mij te zijn. Ahem. Sorry, lieverds.)

Kortom, ik vind het moeilijk om hier te zeggen wat me boos of verdrietig maakt. Op een openbare blog. Waar vaag blijven eigenlijk geen optie is, want dat levert een onpersoonlijk – dus oninteressant – verhaal op. En wie zit daarop te wachten?!

Een close-up van een paard. Het oog is goed te zien. Er is iets aan de onschuld van paarden, wat mij makkelijk boos of verdrietig maakt.
Die ogen… Paarden hebben iets wat mij snel emotioneel maakt. Vooral als ze slecht behandeld worden. Daar kan ik echt niet tegen.

Dus. Als ik van slag ben, komt dat meestal door één van de volgende thema’s:

  • problemen met familie / vrienden / sociale contacten – maar bijvoorbeeld ook een emotioneel weerzien bij All You Need Is Love.
  • onbegrip / gebrek aan kennis – als ik iets niet begrijp, of niet begrepen word, kan ik me daar mateloos aan ergeren.
  • angst / wantrouwen – voor iets of iemand anders of, nog erger, voor mijzelf. (“Dat klinkt geweldig, maar ’t lukt me vast niet.”)
  • onverantwoord / ondankbaar gedrag – zoals toeristen die foto’s maken op een plek waar dat overduidelijk niet mag. Argh!

Combinaties hiervan vormen al helemaal dé manier om mij boos of verdrietig te krijgen. (De film Black Beauty doet dat bijvoorbeeld vreselijk goed.)

Volgens mij zijn dit mijn vier grootste “allergieën”. En dat zou kunnen kloppen, want als ik ze omdraai komen er een paar herkenbare kwaliteiten naar boven. (Een slim en loyaal persoon, die veel belang hecht aan vertrouwen en rechtvaardigheid… Hm, klinkt bekend.)

Wat maakt jou boos of verdrietig? Waar heb je dan eigenlijk behoefte aan?

De volgende keer: “Wat is mijn grootste valkuil?”
En twee weken geleden: “Hoe kom ik over op anderen?

Foto: “A Nod Is As Good As a Wink… to a Blind Horse” door Fernando Henrique C. de Oliveira, licentie CC BY-NC-ND 2.0

Drie jaar geleden kwam ik weer naar Nederland: een terugblik

Precies drie jaar geleden – op 31 januari 2016 – vloog ik weer naar Nederland, na tien maanden in Polen gewoond te hebben.

Hoe was het om terug te komen? En de (tot nu toe) beste tijd van mijn leven af te sluiten?

Ik heb januari nooit leuk gevonden, maar sinds 2016 heeft het einde van deze maand een extra rauw randje. Wéér een jaar verder verwijderd van al die primeurs. Wéér een jaar zonder “mijn” huisgenootjes. (Die ik af en toe nog zie, maar da’s niet hetzelfde.)

En weet je, ’t is goed zo. Ik ging weer naar Nederland omdat ik dat wou, en ik heb daar nooit spijt van gehad.

Ja, er waren (en zijn) gemengde gevoelens, en ik heb me weleens afgevraagd of het de juiste keuze was. Maar spijt… Dat niet.

En ik heb al helemaal geen spijt van mijn besluit om naar Polen te gaan. Serieus, ik steek nog liever mijn handen in het vuur dan dat ik die tijd uit mijn geheugen laat wissen.

Deze foto - van mijn onderarm - maakte ik terwijl ik op het vliegveld zat te wachten om weer naar Nederland te gaan.
31 januari 2016. Aan het wachten op het vliegtuig terug naar Nederland. Op mijn arm allerlei lieve/gekke woordjes en tekeningen, gekregen op het afscheidsfeestje die nacht.

Soms denk ik: “Ik had véél eerder naar Polen moeten gaan.” Vóórdat ik aan studeren begon, in plaats van erna.

Dan had ik mijn studietijd waarschijnlijk anders – en beter – ingevuld. Door bijvoorbeeld een studie te kiezen in de richting van communicatie, welzijn en/of maatschappelijk werk, met taalvakken in de keuzeruimte, in plaats van andersom.

Maar goed. Achteraf is het mooi wonen. 😉

Zo vind ik het achteraf gezien ook jammer dat ik in Polen niet kon bouwen op mijn huidige gevoel van eigenwaarde.

Ik zou het best nog eens over willen doen, om dan de tweede keer te starten met de dosis zelfvertrouwen die ik tijdens mijn EVS-periode opgedaan heb. (Dat had me toch een hoop vonken gegeven…)

Maar de EU heeft bepaald dat jongeren één keer zo’n project mogen doen. Dus ik heb mijn portie al gehad. Punt.

Ook al heet het nu geen EVS meer. Tegenwoordig moet ik “Europees vrijwilligerswerk” zeggen, of “Europese Vrijwilligersprojecten”. Andere naam, maar nog steeds hetzelfde feestje.

Mijn Facebook-update die dag. Mijn vliegtuig had vertraging en ik was ongelooflijk moe en melancholisch. Dan krijg je dit soort hartenkreten.

Ik heb er zóveel aan gehad. Qua… Wat niet, eigenlijk? Vriendschappen. Reizen. Kennis. Zelfkennis. Loopbaan. En ja, ook qua feestjes. Uitgaan.

Met name dat uitgaan mis ik, nu ik weer in Nederland woon, ver-schrik-ke-lijk.

En ook op mijn carrière valt wel wat aan te merken, nu ik – net zoals precies drie jaar geleden – zonder werk zit.

Maar het gekke is: als ik niet gegaan was, dan was ik nu nog verder van huis.

Een jonge vrouw zit op de stoep en kijkt naar haar smartphone.

Deze dingen moet je weten voor je begint met online daten

Vorige week, op een verjaardagsfeestje, kreeg ik plotseling de titel van “expert” op het gebied van online daten.

Een dubieuze eer, en zwaar overdreven, als je het mij vraagt. Maar het bracht me óók op een idee. Want waarom zou ik die hard bevochten kennis eigenlijk voor mijzelf houden?

Wat zijn de dingen die je moet weten voor je begint met online daten?

En hee, dat rijmt. Als daar geen leuke blogpost in zit… 😉

1. “Wees geen dwaas,
blijf het algoritme de baas.”

Als je mij vraagt wie ik een expert vind op het gebied van online daten, zeg ik Amy Webb. Bekijk haar TED-talk, “How I hacked online dating”, als je dat nog niet gedaan hebt. Informatief én hilarisch.

De manier waarop zij het daten heeft aangepakt is veuls te cijfermatig voor mij, maar op een aantal punten heeft ze absoluut gelijk.

Zoals deze: “While the algorithms work just fine, you and I don’t, when confronted with blank windows”.

De website/app die ik gebruik, OKCupid, biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om vragen te beantwoorden. Niet zomaar een paar vragen, nee, véél vragen. Honderden vragen.

En daar is niks mis mee, maar er staan ook vragen tussen zoals “How do you feel about documentaries?”. En “which superpower would you rather have?”. Vragen waarvan het mij, eerlijk gezegd, geen drol uitmaakt wat iemand erop antwoordt.

Ik kijk graag naar documentaires, maar moet dat mijn partnerkeuze beïnvloeden? Knap ik af op iemand die een hekel heeft aan documentaires? Zijn documentaires zo belangrijk voor me, dat het deel uit zou moeten maken van mijn toekomstige relatie(s)? …Nee.

Denk dus goed na over wat je op je profiel zet. Wat vind je belangrijk, en wat niet?

Hoe minder ruis, hoe beter.

2. “Reageert er geen ziel?
Verander je profiel!”

Amy Webb heeft nog een ander goed punt.

Als er weinig leuke mensen op je reageren, dan ligt dat niet alleen aan de concurrentie, maar ook aan jou. Of beter gezegd: aan jouw profiel.

Ik zal je een voorbeeld geven uit mijn eigen praktijk.

Sinds een paar maanden heb ik een kort kapsel. En aangezien ik mezelf niet vaak op de foto zet – of laat zetten – heb ik vooralsnog maar één leuke foto van mezelf met kort haar.

Als ik die foto gebruik als profielfoto, levert dat bijna niets op.

Zet ik daarentegen een oudere foto vooraan, waarin ik lang haar heb en een iets zichtbaarder decolleté, dan komen er “ineens” een hoop berichtjes binnen.

Daar kun je van alles en nog wat van vinden – dat doe ik ook – maar het toont in elk geval aan dat kleine, oppervlakkige profielwijzigingen een groot verschil maken in de wondere wereld van het online daten.

En dat je daar zelf de hand in hebt.

Een paar tips (van Amy Webb):

  • Gebruik niet te veel tekst, maar ook niet te weinig. Populaire profielen bevatten gemiddeld 97 woorden.
  • Hoe specifieker de beschrijving, hoe groter de kans dat iemand (te) snel op je afknapt. “Ik hou van films” werkt beter dan “mijn favoriete film is Pirates of the Caribbean“.
  • Gebruik positieve woorden. Maak een profiel dat uitnodigt en benaderbaar is, in plaats van afschrikt.
  • Als je een leuk berichtje krijgt van iemand, reageer dan niet te gretig. Ook dat schrikt af. Echt, één reactie per 12-24 uur is genoeg.
  • En ja, de foto’s doen ertoe. Kies of maak dus een paar foto’s van jezelf waarop je er aantrekkelijk uitziet.

Tot zover over je profiel. Nu wordt het tijd voor het echte werk. 😀

3. “Klikt het in de app? Spreek af vóór je vlinders heb!”

(Ja, ik weet dat het eigenlijk “hebt” moet zijn. Maar dan rijmt het niet.)

Heb je iemand gevonden die je wel leuk lijkt? En wijzen de eerste berichtjes erop dat jullie aardig op dezelfde golflengte zitten? Spreek dan zo snel mogelijk in het echt af.

Als er één ding is wat je moet weten voor je begint met online daten, is dit het. Ook al heeft Amy Webb het er niet over. (Expert-punten voor Wendy!)

Zo snel mogelijk, in het echt.

Want stel dat je in het echt geen klik voelt met die ander. Waarom zou je dan je kostbare tijd aan die persoon blijven besteden?

En als die ander in het echt juist wél even leuk is als online – of zelfs nog leuker – waar wacht je dan nog op?! Straks word je genadeloos ingehaald door een concurrent!

Dan heb ik het nog niet gehad over de (kleine) kans dat je met een catfish te maken hebt. Een nepprofiel. Maar de enige manier om erachter te komen of de persoon waarmee je contact hebt degene is die je op de foto’s ziet, is door – je raadt het al – in het echt af te spreken.

Dus, kortom, elkaar zo snel mogelijk in het echt ontmoeten is helemaal geen slecht idee. Integendeel.

Liefst vóórdat je gevoelens voor de ander krijgt. Dat kan je een hoop hartzeer besparen.

Spreek gewoon ergens af – op een openbare plek (!!!) – en ga samen iets drinken ofzo. Meer hoeft dat niet te zijn. Christina Wallace – van een andere leuke TED-talk over online daten – noemt dit de “zero date“. De date vóór een (eventuele) eerste date.

De zero date. Knoop het in je oren.

4. “Wie iets goed wil leren,
moet vooral veel repeteren.”

Die zero dates brengen me bij het laatste punt. Oefening baart kunst.

Volgens Christina Wallace kun je gerust drie zero dates in één avond proppen. Wat mij betreft een prima plan, al word ik behoorlijk scheef aangekeken als ik vertel dat ik drie van dat soort afspraakjes heb op twee weken tijd(!). Dus of het slim is om daar open over te zijn, is een tweede.

Maar goed. Laat je daardoor vooral niet tegenhouden. Regel zoveel zero dates als je wilt. Leer wat nieuwe mensen kennen. En als je merkt dat een bepaalde datingsite of -app niet bij je past, probeer dan gewoon een ander.

Ik ben na een maandje Pepper (mwoah) overgestapt op OKCupid. Ook heb ik Once eventjes uitgeprobeerd maar dat was één groot drama. Voor mij althans.

Het duurt misschien even voordat je je draai gevonden hebt. Maar als het goed is brengt elke (zero) date je dichter bij iemand met wie het heel goed klikt. En het levert je sowieso een pak mensenkennis en leuke verhalen op.

En dat is volgens mij alles wat je moet weten voor je begint met online daten. Dus, waar wacht je nog op? 😉

Heb je nog vragen voor deze “expert”? En voor de ervaren online daters: mis ik iets?

Foto:  Communicating from the Gutter” door Michael Coghlan, licentie CC BY-SA 2.0

Hoe kom ik over op anderen? [25 vragen in 52 weken, deel 2]

Goede voornemens zijn er om je niet aan te houden. Daarom deze week vraag 19: “Hoe kom ik over op anderen? Past dat bij hoe ik mezelf zie?”

Ik weet niet of de vraag “Hoe kom ik over op anderen?” gericht is op de eerste indruk, of op de algemene indruk die ik achterlaat. Want daar zit wel een verschil in. Denk ik.

De eerste indruk die ik maak, is meestal dat ik rustig ben – of verlegen, of stil, of iets in die richting – maar ook stoer/stevig en open/vriendelijk. Dus niet rustig in de zin van “och gut, die blazen ze zó omver” of “nou, zij zegt ook niks terug”. Meer in de zin van een grote vriendelijke reus.

Maar dan niet reusachtig groot. Gewoon groot, voor een vrouw (1m80).

Is dat te veel voor een eerste indruk? Moeilijk te zeggen. Maar volgens mij zijn dit de eigenschappen die het meest opvallen.

Mensen die mij iets beter leren kennen, omschrijven me daarnaast ook als oprecht, idealistisch, opgewekt/grappig, en als iemand die (te) veel en goed kan nadenken.

Dit heb ik trouwens niet zelf bedacht. De afgelopen jaren heb ik regelmatig te horen gekregen hoe ik overkom op anderen. Met name van andere trainees. Want hoe je van nature overkomt zegt iets over je kwaliteiten én over je valkuilen.

Allerlei kleuren post-itjes waarop medetrainees antwoord geven op de vraag "Hoe kom ik over op anderen?".
Wie kan de vraag “Hoe kom ik over op anderen?” beter beantwoorden dan een heleboel anderen?

Het woord dat de trainees het vaakst gebruikten om mij te omschrijven, is trouwens ‘veerkracht’.

Maar volgens mij is veerkracht het resultaat van een aantal andere eigenschappen, die ik eerder genoemd heb. Ik bedoel, ik denk niet dat ik ‘veerkrachtig’ overkom. Maar wel sterk, slim en opgewekt.

Wat ik natuurlijk niet altijd ben. Er zijn genoeg momenten waarop ik helemaaaal niet opgewekt ben, of slim, of rustig. Of noem maar op.

Maar over het algemeen klopt het met hoe ik mijzelf zie. 🙂

Welke indruk maak jij op anderen?

De volgende keer: “Wat maakt me boos? Verdrietig? Gefrustreerd?
En twee weken geleden: “Hoe ontspan ik het best?

Lessen uit 'The Subtle Art of Not Giving a F*ck': "The desire for more positive experience is itself a negative experience. And, paradoxically, the acceptance of one's negative experience is itself a positive experience"

Vijf lessen uit ‘The Subtle Art of Not Giving a F*ck’

Zoals ik al schreef heb ik de afgelopen weken niet alleen ‘Het Huis met de Geesten’ uitgelezen. Een ander boek – ‘The Subtle Art of Not Giving a F*ck‘ van Mark Manson – vond ik zo inspirerend, dat het een eigen blogpost verdient.

De Nederlandse titel is ‘De Edele Kunst van Not Giving a F*ck. Juist ja. Ik ben blij dat ik de originele, Engelstalige variant gelezen heb.

In het boek legt Mark uit waarom we – en “we” zijn vooral mensen van zijn/mijn generatie – vaker zouden moeten denken (en zeggen): “Daar geef ik geen hol om.”

Dat lijkt misschien grof, maar wie het goed aanpakt beoefent een subtiele levenskunst. Want te veel f*cks geven is ongezond, maar te weinig f*cks geven ook. (Alleen psychopaten geven nergens om.)

Hoe je de juiste balans vindt? Lees het hele boek, of neem eerst even deze vijf belangrijke lessen uit ‘The Subtle Art of Not Giving a F*ck‘ tot je.

1. Je kunt niet winnen als je niet wilt spelen

Waar denk jij aan bij woorden zoals “lijden”, “pijn” en “ontevredenheid”?

Met onze hoge levensstandaard in het achterhoofd, klinken die woorden ronduit vies. We willen een gelukkig leven, vol blije Facebookupdates en fotofilters. Wat we niet willen zijn problemen, harde waarheden, negatieve emoties en ongemak.

Maarreh, dat zal niet gaan. Leven is niet alleen het meervoud van lef, het is ook een vorm van lijden. Onze worstelingen bepalen onze successen – en ons geluk.

Heej het alles meigemakt, het ’t allemoal gehad
Verhaale over vrouwe met champagne in ’n bad

— Rowwen Hèze, “Koning Hay”


Vraag jezelf daarom af welke pijn je in je leven wilt. Waar wil je mee worstelen? Een leven zonder problemen gaat ‘m sowieso niet worden, maar een leven vol goede problemen… Daar mag je op hopen.

2. Je bent niet speciaal

Ja, je leest het goed. Je bent niet speciaal. Niet. Speciaal.

Dat is waarschijnlijk even slikken.

Want we willen zo graag speciaal zijn. We horen en zien voortdurend verhalen van bijzondere mensen, en als we onszelf niet bijzonder genoeg vinden, gaan we keihard op zoek naar onze talenten. Onze “unique selling points“. That special gift that only you have.

Maar als we allemaal proberen te bewijzen dat we speciaal zijn, dan zijn we wat dat betreft sowieso al niet uitzonderlijk bezig.

Natuurlijk, niemand heeft exact hetzelfde levensverhaal als jij – of ik. Maar er leven bijna 8 miljard mensen op aarde, dus de kans dat je de enige bent met een bepaald talent (of probleem) is vrij klein.

Toen ik nog hiel klein waas
En van ’t leave niks begreep
Allien mar speulde, oot en sleep

— Rowwen Hèze, “De Peel in Brand”


Als je accepteert dat je “maar gewoon” bent, haal je een enorme last en bewijsdrang van je schouders. En je krijgt meer waardering voor de basiservaringen van het leven. De dingen die (bijna?) iedereen meemaakt.

Het smaakt lang niet zo zoet als de boodschap dat je speciaal bent, maar het werkt wel.

3. Je weet niets en je kiest altijd

Nog zo’n vervelende boodschap.

Veel van onze overtuigingen zijn fout. Want ons brein is slim, maar (a) niet perfect en (b) als we iets zeker denken te weten, is het ongelooflijk moeilijk om ons daar weer vanaf te brengen.

Die “zekerheid” kan onze persoonlijke groei aardig in de weg staan.

Als je vaker erkent dat je het misschien niet bij het rechte eind hebt, kun je langer – en met een open houding – blijven zoeken. Tot je een iets betere oplossing voor je probleem vindt. En als je dat blijft doen, ga je van ‘fout’ naar ‘een beetje beter’, naar ‘nog minder fout’, naar ‘nog iets beter’…

Niemand di wet wie verluust of wie wint.
Ge komt op ’t end beej ow zelf terecht.

— Rowwen Hèze, “Blieve Loepe”


Misschien denk je nu: “Maar dit probleem is mijn schuld niet!” / “Ik heb hier niet voor gekozen!” / “Ik kan er niks aan doen!” / “Mijn probleem is zo groot, dat is niet op te lossen!”

Je kunt inderdaad niet altijd kiezen wat je overkomt. En misschien heb je er helemaal geen schuld aan.

Maar alleen jij bent verantwoordelijk voor jouw (on)geluk. Net zoals een rechter verantwoordelijk is voor een zaak, ook al is hij/zij geen misdadiger, getuige of betrokkene.

En jij bepaalt hoe je op een situatie reageert. Altijd. Of je het nu leuk vindt of niet. Zelfs “ik doe niets” is een keuze.

4. Mislukkingen en afwijzingen zijn cruciaal

Want iederien haj alt gezagd,
D’r is in dit land gen mins din op ow liedjes wacht

— Rowwen Hèze, “En Dan Is ’t Mar Dom”


Ja, we blijven nog even op de zonnige toer. Ahem. 😉

Om een goede ruiter te worden, moet je eerst honderd keer van je paard vallen. Dat maakt het nog steeds niet leuk om van een paard te vallen. Of minder pijnlijk, of minder eng. Maar het hoort er gewoon bij.

Hoe je het ook wendt of keert: vallen – falen – maakt deel uit van een groeiproces.

Hetzelfde geldt voor afwijzingen.

Het kan ronduit pijnlijk zijn om iets of iemand af te wijzen, of afgewezen te worden. Maar als we niets afwijzen, kunnen we ons nergens aan verbinden. En dan missen we de focus op wat ons effectief gezond en gelukkig maakt.

5. We gaan allemaal dood

Tot slot deze vrolijke uitsmijter. We gaan allemaal dood.

Vooral bedoeld om de andere lessen uit ‘The Subtle Art of Not Giving a F*ck’ in het juiste licht te plaatsen. Met de dood voor ogen maak je immers minder oppervlakkige (en vaak betere) keuzes.

Angst is zonde van je tijd. Het slachtoffer uithangen is zonde van je tijd. Om te veel dingen geven is zonde van je tijd.

Vur aaltied saame, de kaarten versteurd
Lang zujje ze leave, toen is ’t gebeurd

— Rowwen Hèze, “De Neus Umhoeg”


Hopelijk was het lezen van deze samenvatting niet zonde van je tijd! 🙂 Welke van deze lessen uit ‘The Subtle Art of Not Giving a F*ck’ vond je het leerzaamst?

Als je deze vorm van zelfhulp net zo kunt waarderen als ik, lees dan vooral het hele boek.

(Als je het boek koopt via de links in deze blogpost, ontvang ik een klein percentage van de opbrengst. Dat kost jou verder niets. Ik ben niet betaald om deze blogpost te schrijven, en ik raad alleen boeken aan die ik met veel plezier gelezen heb. Ook krijg ik geen gegevens door van eventuele kopers. Wat jij met deze informatie doet, is – zoals altijd – jouw eigen keuze.)

Foto: “Mark Manson” door SharonaGott, licentie CC BY 2.0